Edited: 19900321
Andries Van den Abeele
Het patrimonium van uitstervende kloostergemeenschappen - Als opinie verschenen in De Standaard, 21 maart 1990.

De recente verkoop van het klooster van de Arme Klaren in Brugge heeft heel wat stof doen opwaaien. De wijze waarop acht bejaarde tot hoogbejaarde kloosterzusters, waarschijnlijk onder druk van geĆÆnteresseerde outsiders en tegen de uitdrukkelijke wil van hun hiĆ«rarchische overheid, tot verkoop zijn overgegaan, stelt heel wat vraagtekens. Wie van wat dichterbij de saga van deze verkoop heeft kunnen volgen, stelt vast dat het om een sterk verhaal gaat, dat stof zou geven voor een pen in de aard van die van Willem Elsschot, van Guy de Maupassant of zelfs van de marquis de Sade.

Onze kloostergemeenschappen hebben zich geschikt naar de Belgische wetgeving en hebben voor het beheer van hun patrimonium de juridische vorm aangenomen van verenigingen zonder winstoogmerk. In de meeste gevallen betekent dit dat eenpaar leden van de kloostergemeenschap over de vervreemding van het aanwezige patrimonium kan beslissen.

In actieve en levenskrachtige communauteiten bestaat minder gevaar dat de eigendommen onttrokken worden aan de religieuze, educatieve of caritatieve doelstellingen die aan de basis liggen van hun verwerving, vaak van hun schenking. Het wordt wel anders wanneer kloostergemeenschappen uitsterven. Ze kunnen in de handen komen van een paar kloosterlingen die zich nog weinig bij hen religieuze verplichtingen betrokken voelen en plots de heerlijke geur van stapels bankbriefjes snuiven. Ze kunnen onder de invloed komen van gewiekste raadgevers die er op uit zijn het aanwezig patrimonium af te leiden van het oorspronkelijk doel of zelfs gewoon argeloze kloosterlingen op te lichten.

De vermindering van de kloosterroepingen heeft onvermijdelijk tot gevolg dat kloosters opgeheven worden en verkocht. In Brugge alleen al zijn er in de laatste jaren een half dozijn verdwenen. In alle gevallen, behalve in dat van de Clarissen is dit volkomen correct gebeurd. De opbrengst van de verkochte eigendommen dient om kleinere behuizing te bekostigen of om ten goede te komen aan de scholen, bejaardenhuizen, ziekenhuizen, enzovoort, die door de betrokken kloostergemeenschappen werden opgericht.

Het lijkt op zijn minst dubieus wanneer enkele kloosterlingen beslissen voortaan los van hun congregatie in een zonnig klimaat te gaan rentenieren en het batig saldo meenemen van generaties opoffering en liefdadigheid. Het wordt helemaal onaanvaardbaar wanneer de archieven (in het Brugs geval gaat het onder meer om de vijftiende-eeuwse documenten die met de stichting van het klooster re maken hebben) en de over de eeuwen heen verworven en meestal gekregen kunstwerken, aan antiekhandelaars worden verkocht. Zoiets gelijkt op een hold-up.

Ook al hebben de kloostergemeenschappen juridisch het volle eigendomsrecht, is het duidelijk dat zij de morele plicht hebben hun eigendommen of de opbrengst ervan aan te wenden in dienst van de kerkgemeenschap waartoe ze behoren. Zeker, ze hebben het recht de nodige voorzorgen te nemen opdat de leden van uitstervende congregaties van een onbekommerde levensavond kunnen genieten; ze hebben echterook de plicht er voor te zorgen dat het batig saldo niet geprivatiseerd wordt maar terecht komt bij levenskrachtige of nieuwe vormen van religiositeit en van dienst aan de gemeenschap.

Wat zich in Brugge heeft voorgedaan is een lamentabele epiloog na zes eeuwen kloosterleven. De bisschop van Brugge, die door sommigen zeer ten onrechte als een middeleeuwse inquisiteur is afgeschilderd, is tot hiertoe machteloos gebleken om de oude zusters te beschermen tegen zichzelf en tegen individuen die met de kloostergemeenschap niets te maken hebben.

Voor het te laat is moet de kerkelijke overheid maatregelen nemen opdat dergelijke incidenten zich niet zouden vermenigvuldigen. Ook al zijn de kloosterverenigingen juridisch onafhankelijk, ze zijn slechts de vruchtgebruikers van eigendommen die aan welbepaalde doelstellingen beantwoorden. De christelijke gemeenschap en zelfs alle burgers hebben het recht te verwachten dat de vruchten van generatieslange opoffering en vrijgevigheid niet zomaar aan hun doel onttrokken worden.

Andries Van den Abeele

19900321