Persconcentratie en mediaconcentratie. Vraagtekens.

Over de jaren heen verdwijnen een aantal dagbladtitels ten gevolge van fusies, reorganisaties en faillissementen.

In een eerste fase komen veel titels in de handen van een klein aantal eigenaars terecht en dan kan men spreken van persconcentratie. De persconcentratie is echter een evolutief gegeven en de term duidt op een beweging. Er is ook een tweede fase. De geschiedenis leert dat, wanneer twee of meer dagbladtitels binnen eenzelfde dagbladgroep op elkaar gaan lijken, er onvermijdelijk een sanering plaats vindt en het aantal titels, om economische redenen, krimpt. Alle eerdere beloften van management en aandeelhouders ten spijt.

Het is belangrijk de persconcentratie meetbaar te maken door het uitvoeren van een nulmeting (een vertrekpunt) volgens een geijkte meetprocedure op uniform verzamelde gegevens en met gebruikmaking van een statistische concentratiemaatstaf.

Dat veronderstelt ook dat men weging in de meting inbouwt.


Gezien het 'cross media ownership', d.i. eigenaars die belangen hebben in verscheidene mediasectoren (pers, radio, tv en 'content providers' in de algemene betekenis), is het o.i. belangrijk oog te hebben voor het ruimer bemeten concept 'mediaconcentratie'. Het onderzoek hiernaar vergt een groot aantal deelonderzoeken, is multidisciplinair en veel complexer. Het MERS heeft in 1993 en 1994 zo'n onderzoek uitgevoerd m.b.t. de Vlaamse media:  Tessens L.  (19941100), De Vlaamse Media. Een sector in de stroomversnelling. Antwerpen: MERS

KLIK om het opgebouwde organogram uit dat onderzoek te zien. Het organogram vormt de synthese van de eigendomsverhoudingen en participaties die de Vlaamse media domineerden op dat ogenblik. Onnodig te zeggen dat het opbouwen van de achterliggende 'knowledge base' een tijdrovend en complex proces is.

 


Vele waarnemers zien in de pers- of mediaconcentratie een bedreiging voor 'de opiniewaaier'. Men kan zich afvragen: welke opinies in de waaier? Is de linkse, de rechtse of de centrum-opinie bedreigd? Spreken we over partijpolitieke of ook over andere opinies? Is de zwakste opinie niet steeds bedreigd, welke maatregelen men ook neemt? Zijn er geen andere krachten, te situeren buiten de mediasector, aan het werk, die bepaalde opinies wensen te onderdrukken? Zijn journalisten voldoende opgeleid en goed geplaatst om bestaande en ontluikende opinies weer te geven en te duiden? Welke bronnen staan hem/haar ter beschikking? Vallen ook zij niet ten prooi aan vedettisme? Welk gevaar loopt een journalist met een afwijkende mening en heeft hij een statuut dat hem/haar beschermt? Welke rol speelt het aanwervings- en ontslagbeleid van een media-onderneming?

Anderzijds moet de vraag gesteld worden of het via perssteun kunstmatig in stand houden van perstitels de dieperliggende maatschappelijke evolutie of mismanagement niet veeleer maskeert.

Alhoewel het op een circelredenering lijkt, moet men zich durven afvragen of er vandaag voldoende opinierichtingen zijn overgebleven om een groter aantal titels (media) te verantwoorden en leefbaar te houden. Wanneer er met andere woorden een opinieconcentratie heeft plaats gegrepen, is het dan niet normaal dat daarmee een persconcentratie én een mediaconcentratie gepaard gaat?

De discussie over de persconcentratie wordt academisch afgehandeld en in de Belgische, c.q. Vlaamse, context wil dat zeggen dat, afhankelijk van de toevallige politieke meerderheid, dit of dat (eveneens gepolitiseerd) universitair centrum enkele miljoenen krijgt toegewezen om het fenomeen te onderzoeken. Dan volgt een dik rapport, dat steevast achterna hinkt op de feiten. Een persconferentie sluit het dossier af.

 


Tenslotte moeten we ons afvragen hoe de mediaconcentratie zich ontwikkelt op het internationale forum. In wiens handen zijn de persagentschappen, de nieuwszenders, de grote kranten en magazines ... tout court: hoe is het met de grote nieuwsbronnen in het algemeen gesteld? In een wereld die steeds kleiner wordt, waar landen, volkeren en gemeenschappen afhankelijk zijn van elkaar en waar één grootmacht - de USA - voor een groot deel de perceptie van de werkelijkheid bepaalt, c.q. domineert, c.q. manipuleert, is deze vraag wellicht belangrijker dan het bestuderen van de binnenlandse mediaconcentratie. Immers, vanuit een internationale optiek bekeken, is de binnenlandse mediaconcentratie dan slechts een lokaal verlengstuk van deze die zich planetair afspeelt.
De nieuwsverspreiding verloopt in twee richtingen over de West-Oost-as, met een duidelijk overwicht van West naar Oost. Op de Noord-Zuid-as gaat het nieuws in één richting: van de geïndustrialiseerde landen naar ontwikkelingslanden. De Zuid-Noord-nieuwsflow is onbestaand of wordt incidenteel aangelegd bij rampen of militaire onlusten in ontwikkelingslanden (het zogenaamde media-circus). Dat wil dan ook zeggen dat gebeurtenissen die niet door de drukke West-Oost-as worden opgepikt, onbestaand lijken . Voor deze gang van zaken zijn historische redenen aan te halen: de Koude Oorlog en het kolonialisme (*). De kanalisering van televisie-uitzendingen over kabelnetwerken versterkt die verengde wereldperceptie. In dit verband is het dan weer van belang te kijken naar de recente concentratie die zich heeft voorgedaan in het Vlaamse kabellandschap, waar Telenet nu zo'n 70 procent van de abonneemarkt domineert. Bij zo'n dominante positie spelen niet alleen economische factoren (bvb. prijsbepaling) een rol, maar moet ook de aard en de samenstelling van het aangeboden programmapakket in het oog worden gehouden.

Wat voor de nieuws-'flow' geldt, gaat ook op voor de verspreiding van fictieprogramma's. De betalingsbalans van de West-Europese landen is negatief: Europa voert meer soaps en films in uit de Verenigde Staten dan we er zelf kwijt kunnen. De relatief kleine taalgebieden in Europa kunnen niet optornen tegen de machtige Hollywood-machine. Van origine Franse films worden zelfs in de Engelse taal in circulatie gebracht teneinde de brede internationale markt te kunnen bekoren. Het spreekt vanzelf dat deze tendens culturele gevolgen heeft. Ook computersoftware (programma's en spelletjes) volgt de West-Oost-as. De import uit Japan en Taiwan is evenwel belangrijk.


In 1957 zag niemand minder dan W.J. Ganshof van der Meersch de invloed van financiële groepen aldus: 

"... par des subsides versés à des organes de presse de façon fort diverse et parfois très indirecte: depuis le paiement de sommes importantes pour l'insertion du rapport à l'assemblée générale des actionnaires, ou le versement de sommes hors de proportion avec des effets d'une publicité, jusqu'au paiement pur et simple de subsides proportionnés à l'influence de l'organe et les services rendus ou escomptés. Ces interventions, étant toujours occultes, se mesurent difficilement. Enfin, il y a, sur un plan plus général, l'action de certains groupes industriels ou financiers sur la presse et spécialement le contrôle d'importants quotidiens ou de périodiques par certains de ces groupes ou par certaines personnalités qui les dirigent. Ce problème n'a pas, jusqu'ici, trouvé de solution satisfaisante et les remèdes fragmentaires qui ont été préconisés n'ont pas été mis en oeuvre." (Pouvoir de fait et règle de droit dans le fonctionnement des institutions politiques, p. 77).

Wanneer een van de meest invloedrijke figuren die de Belgische samenleving ooit kende, tot deze conclusie komt dan moet de hem bekende mediasituatie ergerlijk zijn geweest. Vergeten we niet dat ons land toen in volle schoolstrijd verkeerde en dat de koningskwestie diepe wonden had geslagen, ook in persmiddens. 

CONGO. De periode van de dekolonisering, waarin Ganshof zo'n prominente rol speelde, moest nog komen. De jaren 1960-1964 zouden aantonen dat niet Congo maar Katanga van belang was op het internationale forum. Veelbetekend is de terugtrekking van de Belga-correspondenten uit Leopoldstad in 1961, zodat de nieuwsgaring overgelaten werd aan de Engelse en Amerikaanse agentschappen (de AFP-correspondenten waren reeds in augustus 1960 de deur gewezen). De moord op Lumumba en de Katanga-crisis zijn slechts illustraties van het feit dat de kolonisering niets met beschavingswerk maar alles met geldgewin te maken had. Het geoliede ambtelijk apparaat en de hardwerkende missies waren - buiten weten van kleine ambtenaren en de gedreven missionarisen om - ingezet als decorum én als dekmantel voor de werkelijke belangen: koper, uranium, diamant. Talloze journalisten en schrijvers hebben - veelal uit onwetendheid - decennialang niet kunnen (of willen) inzien dat de beeldvorming rond Belgisch Congo louter propaganda was. Toen op 30 juni 1960 Lumumba zei wat vele Congolezen dachten, werkten hele redacties mee aan het demoniseren van de man. Nochtans was het een Belg, een Vlaming nog wel, die ZEVEN jaar voordien de speech van Lumumba had geschreven: WALSCHAP.  "De zwarten denken dat al wat de blanke doet uitsluitend dient om hemzelf rijk te maken en dat hij anders absoluut niets voor hen zou doen", zegt Johannes in Walschap's 'Oproer in Congo' (1953). Toen de Katangese secessie verkocht moest worden, lieten persagentschappen en redacties de immer breed glimlachende Tshombe opdraven om de zaak te verkopen. Het was 'not done' Jules Chomé's geschriften te lezen (Moïse Tchombe et l'escroquerie katangaise, 1966). Die sprak immers van "le personnage central de la maffia politicienne qui, depuis 5 ans, fournit à prix d'or aux forces néocolonialistes le paravent africain dont elles ont besoin". Le paravent, het rookgordijn, de mythe, ... Het einde van de Katangese secessie was in feite niets anders dan het begin van het Amerikaans-Frans-Brits-Belgisch compromis omtrent het volgende rookgordijn: Mobutu. Die stuit op een nieuwe generatie journalisten en de 'paravant' valt omver. Tegen die tijd is Katanga echter ontmanteld, de belangen zijn verplaatst. Wie over een ruïne regeert, mag zijn gangen gaan.  Mobutu blijft dus lang, zeer lang. In wisselende gedaantes opgevoerd, verkocht door de media of even vergeten, doodgezwegen. We belanden in de jaren tachtig en het beeld heeft het geschreven woord vervangen. Het wereldbeeld wordt nu gemaakt door een mediacircus, van langdurige 'coverage' is geen sprake meer. De cameralens bepaalt wat we zien en mogen weten. Satellieten en transponders maken het technisch mogelijk om nieuws te ontvangen van over de gehele wereld. Toch blijven vele redacties vastgepind op de Oost-West-nieuwsas. Verbazingwekkend. 

 

(*) Zie o.m.: Intergovernmental Council of the International Programme for the Development of Communication (IPDC), 20 years in the service of media development; challenges and orientations at the beginning of the new millenium. Unesco, Paris, 21-24/3/2000. McCHESNEY R.W. (University of Wisconsin-Madison), The Internet and U.S. Communication Policy-Making in Historical and Critical Perspective. Journal of Communication 46(1), Winter 1996. Een autoriteit aangaande nieuwsdisseminatie op wereldvlak en de onevenwichten die bestaan, is de Finse professor Kaarle NORDENSTRENG (University of Tampere, Finland), consultant van Unesco. Een recent boek komt van Indische onderzoekers: KAMALIPOUR Y.R. en RAMPAL K.R. (2001), Media, sex, violence and drugs in the global village, Rowman & Littlefield.
© MERS - Lucas Tessens