Het kadastraal inkomen historisch
bekeken
De
geschiedenis[1] van het kadastraal inkomen
gaat terug tot de Hollandse periode, toen Willem I
de burger meer inspraak wilde geven bij de bepaling van de belastingen.
Tot dan toe had de belastingambtenaar een arbitraire bevoegdheid om de
huurwaarde van een pand vast te stellen en alzo het bedrag van de belasting vast
te leggen. De wet van 28 juni 1822 bepaalde dat de belastingplichtige zelf een
aangifte diende te doen, gebaseerd op reële huursommen.
Na de Belgische onafhankelijkheid werd hier gaandeweg terug van afgestapt
en kwam de rol van de ambtenaar bij de bepaling van het inkomen uit huurgelden
terug op de voorgrond. De reden hiervoor was niet fiscaal, maar electoraal. In
de periode van het cijnskiesrecht bestond bij sommige burgers de tendens om de
geïnde huursom te overdrijven, om alzo toegelaten te worden tot het
kiezerskorps. De teveel betaalde belasting (cijns) werd uit geheime kassen van
de politieke partijen terug betaald. De cijns speelde al van bij de verkiezing
van het Nationaal Congres in 1830 een rol[2].
Daarnaast waren een aantal categorieën van rechtswege kiezer : rechters,
advokaten, notarissen, officieren en geneesheren. In 1831 was het kiesrecht
slechts toegekend aan 46.000 mannelijke burgers (ongeveer 1 op 22 volwassen
mannen). De wet van 12 maart 1848 verlaagde de cijns voor alle
kiesarrondissementen tot het grondwettelijke minimum van 20 gulden (42,32 frank)
en het aantal kiezers steeg daarmee tot 79.079 mannen (dit noemt men de periode
van het cijnskiesrecht met uniforme cijns). Daarbij moeten we nog vermelden dat
het absenteïsme in de periode 1847-1892 zich tussen 15 en 30 procent situeerde,
wat de representativiteit van de verkozen kamers nog verkleinde[3].
Dat
census honores – Geld verschaft ereposten
(Ovidius).
De
cijns speelde niet alleen een cruciale rol bij het aanduiden van kiezers maar
bepaalde ook wie kon worden verkozen. Om de Senaat uitsluitend aan de
grootgrondbezitters (lees : de adel) te kunnen voorbehouden, werd de
mogelijkheid om tot senator te kunnen worden verkozen afhankelijk van een enorm
hoge som van verkiesbaarheidsbelasting : 1.000 gulden of 2.116 frank (de
Belgische frank werd pas in 1832 ingevoerd). Bovendien waren het vooral de
grondbelastingen die de kiescijns bepaalden: in 1831 waren ze goed voor 29
procent van de totale belastingopbrengsten. Het overleveren van de Senaat aan de
adel was een bewuste keuze van de nieuwe natie. Zonder deze groep een deel van
de macht te gunnen, zou men niet kunnen rekenen op de erkenning van de grote
naties, waar eveneens adelijke grootgrondbezitters aan de macht waren[4].
Zowel naar binnen als naar buiten kon België immers maar ontstaan op basis van
labiele politieke en diplomatieke evenwichten.
Omdat
in 1848 de kiescijns tot het minimum was herleid, vergde een uitbreiding van het
kiezerskorps een grondwetsherziening. Daar was volgens de machthebbers geen
haast bij en de katholieke en de liberale partij bekampten elkaar via ingrepen
in de fiscale materie. In 1871 werden accijnzen op het bier ingevoerd en als
indirecte belastingen telden die niet mee voor het bereiken van de
cijnskiesrechtdrempel. Dat had voor gevolg dat herbergiers, die traditioneel
liberaal stemden, hun stem verloren. In 1878 werden de bewoners van openbare
gebouwen vrijgesteld van grondbelasting. Ditmaal waren het de pastoors die niet
langer voldeden aan de cijnseis.
Zolang
het stemrecht gebonden was aan het betalen van belastingen, bestond er
electorale fraude[5]. Wilde men die een halt
toeroepen, dan moest men overdreven aangiften weren via een stelsel dat
gebaseerd was op een vergelijking
van huursommen binnen eenzelfde gemeente. Daarmee was de basis gelegd van de tot
op vandaag bestaande wetten op het kadastraal inkomen.
Voor
algemeen stemrecht werd vanaf 1890 hevig betoogd en gestaakt. Toch verwierp de
Kamer op 11 april 1893 met 115 stemmen tegen 26 bij 3 onthoudingen nog het
voorstel Janson van algemeen stemrecht op 21 jaar[6].
Deze stemming bracht het land op de rand van de revolutie. Onder die druk stemde
de Kamer een week later, op 18 april 1893, een wetsvoorstel dat het algemeen
meervoudig stemrecht invoerde. Zo kon men als eigenaar van een
onroerend goed toch nog een bijkomende stem uitbrengen en bleven in deze
compromisoplossing belastingen een rol spelen bij de kiesverrichtingen. Vanaf
1893 werd stemmen verplicht en dienden dus alle kiezers op te dagen. Deze
belangrijke hervormingen zorgden bij de verkiezingen van 14 oktober 1894 voor
een politieke aardverschuiving: de kiezers stuurden 104 katholieke, 14 liberale
en 34 socialistische afgevaardigden naar de Kamer. Te Aalst stak het sociaal geïnspireerde
Daensisme[7]
de kop op. Het einde van het zuivere censusregime luidde de steile opgang in van
de partijen die het prangende sociale vraagstuk op de voorgrond zouden schuiven.
Het
algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen kwam er – eveneens onder
druk van de straat en zonder een grondwetsherziening – bij gewone wet van 9
mei 1919[8].
In hetzelfde jaar, en nog voor de kamers ontbonden werden, kwam ook de eerste
wet op de inkomstenbelasting tot stand[9].
[1]
Ingenbleek belichtte op magistrale wijze de
evolutie van deze belasting in het licht van het cijnskiesrecht tijdens de
19de eeuw; zie INGENBLEEK Jules (1908),
Impots Directs et Indirects sur le revenue: la contribution
personnelle en Belgique - l’Einkommensteuer en Prusse -
l’income tax en Angleterre. Bruxelles/Leipzig: Misch & Thron.
- Zie ook CLAVIER Charles (1919), Histoire des impôts en Belgique,
précédée d'un aperçu général de l'évolution fiscale. Hasselt: Van
Langenacker. Dit werk biedt een interessant historisch overzicht op de
belastingen vanaf de Griekse tijd. -
Zie ook SELS Alain (1987), Geef aan de keizer – Geschiedenis van de
belastingen. Turnhout: De Graal.
[2]
PIRENNE Henri (s.d.), Geschiedenis van België
– Boekdeel III, blz. 519 (facsimile aanplakbrief). – Voor een evaluatie
van het fiscale beleid in 1830—1831 verwijzen we naar
WITTE Els, Financieel-politieke aspecten van de Belgische revolutie
(1830-1831) in: COLL. (1982), Colloquium over de geschiedenis van de
Belgisch-Nederlandse betrekkingen tussen 1815 en 1945. Colloque
historique sur les relations Belgo-Néerlandaises entre 1815-1945. Acta.
blz. 129-177 – Voor de zeer gedetailleerde verkiezingsuitslagen en
commentaar verwijzen we naar MOYNE M. (1970), Resultats des élections
belges entre 1847 et 1914. Bruxelles:
Institut Belge de Science Politique.
[3]
MOYNE, o.c. blz. 21
[4]
GAUS
H. (1992), Politieke en sociale evolutie van België I, blz. 121. – Zie
ook DE CLEERMAECKER Philippe (2003), Negentiende-eeuwse Plattelandsadel in
de Kempen - Analyse van de mentaliteit en de politieke impact van de familie
Montens en Van de Werve. Scriptie voorgelegd aan de Faculteit Letteren en
Wijsbegeerte, voor het behalen van de graad van Licentiaat in de
Geschiedenis. Academiejaar: 2002-2003. Katholieke Universiteit Leuven. –
Zie ook GERARD E. & VOS L. (1996), Hedendaagse geschiedenis. blz.
157. – Zie ook HELIN Etienne, De val van twee reuzen op lemen voeten :
adel en clerus, in : HASQUIN Hervé Edit. (1993), België onder het
Frans bewind 1792-1815. blz. 99-139. – Zie ook : FRANCOIS Luc (1977),
Politieke integratie of exclusie ? Belgische notabelen tussen 1785 en
1835, in : Belgisch Tijdschrift voor de Nieuwste Geschiedenis, jg. 8,
1977, afl. 2, blz. 153-183.
[5]
In 1884-1885 werden 19.244 inbreuken op een totaal van 126.419 kiezers
aanhangig gemaakt bij de rechtbank. Bron: NN (1981), Het parlement exponent
van een democratische samenleving 1831-1981. Brussel: Kamer van
Volksvertegenwoordigers en de Senaat. blz. 28.
[6]
VAN ISACKER Karel (1963), De Antwerpse dokwerker 1830-1940, blz. 106
[7]
“De verkiezing van priester Alfons Daens tot
volksvertegenwoordiger op 9/12/1894 was een spoorslag voor de demokraten;
wat in Aalst verwezenlijkt was, kon elders niet onmogelijk zijn.” uit:
WILS Lode (1969), Het Daensisme – De opstand van het Zuidvlaamse
platteland. Leuven: Davidsfonds. Blz. 175.
[8]
De grondwetsherziening van 1921 legaliseerde
de afgedwongen democratisering. Belgische vrouwen werden pas in 1949
stemgerechtigd voor de wetgevende kamers (wet van 27 maart 1948). Daarmee
liep België zo’n 40 jaar achterop bij andere westeuropese democratieën.
[9]
CLAVIER, o.c. blz. 234
[10]
Volledigheidshalve vermelden we nog dat het
vermogen – naast andere kwalificaties - een geldig criterium bleef voor de
verkiesbaarheid in de Senaat: eigenaars met een kadastraal inkomen van
minstens 12.000 frank en belastingplichtigen die jaarlijks minstens 3.000
frank aan directe belastingen betaalden, waren eveneens verkiesbaar. – Zie
LAUREYS V. Editor (1999), De geschiedenis van de Belgische Senaat 1831-1995.
Blz. 135.