De herschikking van het onroerend goed op het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw

door Lic. Lucas Tessens & Eddy Debaets

maart 2005

[Dit artikel verscheen als historische bijlage in het Jaarverslag 2004 van de Belastingdienst voor Vlaanderen - Onroerende Voorheffing, blz. 70-86]

[De cijfercodes tussen ronde haakjes verwijzen naar de genummerde bibliografie en - eventueel - de geraadpleegde pagina's]

I.

In het midden van de 18de eeuw ligt ons land nog bezaaid met honderden kloosters en abdijen die enorm veel grond bezitten. Aan het einde van de eeuw zijn die eigenaars buiten spel gezet en hun onroerende goederen zijn door opeenvolgende acties van de overheid in (vooral) burgerlijke handen overgegaan.

 

De eeuw van de Verlichting

De eeuw van de Verlichting brengt twee radicaal verschillende maatschappijvisies met elkaar in botsing. De Rooms katholieke kerk stelt de bestaande maatschappij-ordening voor als door God gewild, daartegenover staan de nieuwe rationalistische visies die de toekomst als maakbaar bestempelen. De wetenschappelijke kennis (19740077, 19890021) en de nieuwe politieke ideeën (Rousseau, Voltaire, Diderot) neergelegd en verspreid in talloze drukwerken, bereiken de rijk geworden en geletterde handelsburgerij en sijpelen van daar door naar de massa. In die kringen vormen ze een wetenschappelijke en politieke tijdbom. Maar ook de machthebbers blijven niet ongevoelig voor de nieuwe ideeën. De Habsburgse keizer Jozef II (die als kroonprins in juni 1777 incognito Parijs bezocht) is er fel door aangegrepen en meent dat het van bovenaf opleggen van hervormingen de beste manier is om het oude in het nieuwe te doen overgaan. Hij wordt daarin bijgestaan door een kundige en ambitieuze schare overheidsambtenaren. (20010031, 19940050) Die ambtenaren blijken uitermate tolerant te zijn voor de verspreiding van de nieuwe ideeën via geschriften. Zij leggen de protesten van de behoudsgezinde kardinaal de Franckenberg naast zich neer. Zelfs binnen de kerkelijke hiërarchie gaan stemmen op voor het terugdringen van de al te grote invloed van de paus op de staten. Zo ontketent bisschop Febronius vanaf 1763 een ware anti-ultramontaanse campagne. (18910009; 19410021: 224; 19870056: 23) Onder het bewind van Jozef II zijn onze gewesten een bakermat voor 'verlicht drukwerk' en piraatuitgaven van de filosofen. In Vlaanderen speelt de populaire en goedkope periodieke uitgave 'Vlaemschen Indicateur' van J.F. Vander Schueren (1751-1804) een prominente rol bij het ontsluiten van kennis (19870053: 241 en 339-342) en het promoten van bijvoorbeeld de theaterstukken van Voltaire (19100010).

 

Het belang van grond Aangezien grond in een agrarische samenleving productiefactor nummer één is, krijgt de landbouw alle aandacht. De school der fysiokraten (19730036: 111) poneert dat een beter gebruik van het grondareaal, gebaseerd op wetenschappelijke methodes, een voorwaarde voor vooruitgang is. Die verhoogde aandacht voor de landbouw brengt ook de andere aspecten voor het voetlicht: het eigendomsrecht, het kadasteridee en de belastbaarheid, cartografie met aanduiding van de teelten (19960026), enzovoort. De theoretische bespiegelingen botsen uiteindelijk met de realiteit van het grootgrondbezit van de adel en de kloostergemeenschappen.

 

De dode hand  De abdijen en kloosters hadden in de loop der eeuwen zoveel gronden in handen gekregen dat we van een heuse concentratie mogen spreken. Aan het beheer van hun onroerend bezit besteden ze veel aandacht. De fraaie kaartenboeken waarin zeer gedetailleerd de ligging en de oppervlakte van hun gronden staat beschreven, is daarvan het bewijs. In feite vormen die kaartenboeken een 'privé-kadaster'. Die documentatie maakt hun rijkdom niet alleen boekhoudkundig beheersbaar, ze zorgt er ook voor dat de monarch vrij gemakkelijk hun bezittingen kan kwantificeren en dus belasten. De machtspositie werd echter afgedaan als 'dode hand' (main morte) omdat de eigendommen die zich binnen de congregaties accumuleren, nooit meer terecht zouden komen in het economische ruilverkeer. Vanuit die machtsbasis kunnen de religieuzen sturend optreden op het politieke, het economische en het financiële terrein. Hun wereldinterpretatie beheerst het denken en elke andere interpretatie wordt verboden en bestreden (cfr. het bestaan van lijsten van verboden boeken, de zogenaamde 'index'). Er was een staat binnen de staat tot stand gekomen. In het Ancien Regime zijn de abdijen als politieke factor ook uitdrukkelijk erkend en zo hebben de rijkste, de zogenaamde Statenabdijen, zitting in de Staten van Brabant. Het edict van 1753 beperkt de 'dode hand' (mainmorte). Koerperich (19220006: 266) komt tot volgende conclusie: "Cette évolution aboutit à l'édit général du 15 septembre 1753 qui interdit sous peine de nullité absolue, à tous les établissements de mainmorte, ecclésiastiques ou laïques, d'acquérir sans autorisation des biens immeubles et leur interdit même d'en prendre à bail. Mais cet édit ne se contente pas de la sanction de la nullité; il fait encourir aux transgresseurs la peine de confiscation. (...) but politique: restreindre la richesse du clergé et l'influence qu'elle peut lui donner dans l'état. C'est aussi ce but politique qui explique l'augmentation considérable que subit à cette époque, la taxe ou 'reconnaissance' à payer pour les acquisitions." Om kort te gaan: grondbezit betekende macht; wilde men die controleren dan dienden er toelatingen bekomen en taksen betaald te worden. Om het brutaal te stellen: macht werd afkoopbaar, weliswaar via een streng gesanctioneerde transactie.

VERVOLG

Naar de bibliografie

copyright MERS 20050917