Hoe
is het kadastraal inkomen in Vlaanderen verdeeld?*
Een onderzoek naar de
verdeling van onroerend vermogen
Lic.
Lucas Tessens en Lic. Monique Gysels
februari 2004
*uit:
jaarverslag van Onroerende Voorheffing 2003, blz. 67-70
Het kadastraal inkomen is het fiscaal
referentiegegeven van een onroerend goed. Hoe ongelijk is het onroerend vermogen
in Vlaanderen verdeeld?
Dankzij
het data warehouse van Onroerende
Voorheffing (DWH-OV) zijn de gegevens, die opgeslagen liggen in het
operationeel systeem van de belastingtoepassing, toegankelijker.[1]
Verdeling van kadastrale inkomens over de natuurlijke
personen/eigenaars.
Voor
dit deel van het onderzoek hebben we enkel gebruik gemaakt van de gegevens van
de natuurlijke personen die in
het OV-bestand opgeslagen zijn[2]. Meer bepaald gaat het hier over de
belastingplichtigen/eigenaars van de aanslagjaren 2000, 2001, 2002 en 2003.
Belangrijk
om weten is dat alle kadastrale inkomens van eigenaars in de belastingtoepassing
samengevoegd worden, voor zover die eigendommen in het Vlaamse Gewest
gelegen zijn.
De
analyse heeft betrekking op respectievelijk 1.944.900 (AJ2000), 1.940.415
(AJ2001), 1.998.800 (AJ2002) en 2.001.700 (AJ2003) belastingplichtige eigenaars
die samen een niet-geïndexeerd kadastraal inkomen (KINI) hadden van
2.184.652.343 € in 2000, 2.104.234.392 € in 2001, 2.222.348.504 € in 2002
en 2.240.024.060 € in 2003.
Na
rangschikking van de eigenaars volgens hun KINI (van laag naar hoog) kunnen we
bepalen hoeveel procent van het KINI in eigendom is van hoeveel procent van de
eigenaars.
De
tabel hieronder illustreert de ongelijke verdeling van het kadastraal inkomen
tussen private eigenaars.
|
Tabel – ongelijke verdeling van het K.I. tussen
private eigenaars |
||||
|
% eigenaars |
% KINI 2000 |
% KINI 2001 |
%
KINI 2002 |
%
KINI 2003 |
|
1 |
0,001 |
0,001 |
0,002 |
0,002 |
|
10 |
0,948 |
0,750 |
0,897 |
0,925 |
|
20 |
4,191 |
3,962 |
4,163 |
4,221 |
|
30 |
8,693 |
8,517 |
8,728 |
8,814 |
|
40 |
14,343 |
14,276 |
14,461 |
14,567 |
|
50 |
21,086 |
21,168 |
21,294 |
21,409 |
|
60 |
29,038 |
29,305 |
29,339 |
29,452 |
|
70 |
38,297 |
38,774 |
38,690 |
38,790 |
|
80 |
49,403 |
50,069 |
49,877 |
49,957 |
|
90 |
64,311 |
65,031 |
64,804 |
64,842 |
|
99 |
90,329 |
90,593 |
90,554 |
90,423 |
|
100 |
100,000 |
100,000 |
100,000 |
100,000 |
Vijftig
procent van de eigenaars bezit onroerende goederen die slechts 21% van het
totale kadastraal inkomen vertegenwoordigen. Klimmen we verder op in de reeks
dan merken we dat 90% van de eigenaars toch maar voor 65 procent van het KINI
staat. De toplaag van de eigenaars, 1% of ongeveer 20.000 personen, bezit dus
onroerende goederen die nagenoeg 10% van het totale kadastraal inkomen in het
Vlaamse Gewest vertegenwoordigen. Op het eerste gezicht zit er weinig evolutie
in de statistiek en kunnen we spreken van een star gegeven. De literatuur
bevestigt deze vaststelling: “Het is merkwaardig dat de vermogensverdeling in
weerwil van de gestegen reële inkomens een zo grote stabiliteit bezit – een
stabiliteit die groter is dan die van de inkomensverdeling”, stelde professor
Pen[3]
reeds in 1979 vast.
De
grafiek hieronder geeft de verdeling weer voor het aanslagjaar 2003. De groene
lijn (45°) geeft de hypothetische situatie weer waarbij iedereen evenveel
kadastraal inkomen heeft. De paarse lijn geeft de reële situatie in het Vlaamse
Gewest weer. De gearceerde ruimte tussen de beide curven geeft de ongelijkheid
aan. In een land waar slechts één eigenaar alle onroerende goederen bezit,
volgt de curve de X-as tot aan de 100 procent en veert dan loodrecht (rode lijn)
op. In zo’n situatie van extreme ongelijkheid beslaat de ruimte tussen de twee
curven dus de volle honderd procent van de oppervlakte.

Deze
grafische voorstelling noemt men bij beschouwingen over inkomensongelijkheid de Lorenz-curve.
Men kan deze techniek toepassen op inkomen uit loonarbeid (binnen een staat of
binnen een bedrijf), inkomen uit aandelen of andere kapitaalbeleggingen. Omdat
het kadastraal inkomen een fictief inkomen is, kunnen we zeggen dat bovenstaande
grafiek veeleer de ongelijke verdeling van het
onroerend vermogen weerspiegelt. Deze stelling is natuurlijk
slechts houdbaar voor zover er een zinvolle relatie bestaat tussen het K.I. en
de verkoopwaarde van het onroerend goed. Dat laatste kan in de tijd schommelen
door allerlei intrinsieke en externe factoren. Denken we maar aan verbouwingen
die geen verhoging van het K.I. tot gevolg hebben gehad of de heropleving van
oude stadswijken onder invloed van infrastructuurwerken of gewijzigde
woonvoorkeuren.
Verdeling van kadastrale inkomens
over rechtspersonen-eigenaars.
Het tweede luik van het
onderzoek heeft betrekking op de rechtspersonen/eigenaars. De analyse heeft betrekking op respectievelijk 77.000
(AJ2000), 80.000 (AJ2001), 81.900 (AJ2002) en 84.200 (AJ2003) belastingplichtige
rechtspersonen die onroerende goederen bezitten die samen een niet-geïndexeerd
kadastraal inkomen (KINI) hadden van 1.460.087.192 € in 2000, 1.479.340.015
€ in 2001, 1.469.889.203 € in 2002 en 1.479.132.804 € in 2003.
Dit
leidt tot een eerste conclusie: rechtspersonen houden ongeveer 40% van alle KINI
onder zich.
Maar
hoe ligt nu de verdeling van het KINI binnen deze toch wel specifieke groep van
eigenaars?
Het
aandeel van het laagste percentiel is vrijwel te verwaarlozen en komt zelfs met
drie cijfers na de komma nog niet aan de oppervlakte. Vijftig procent van de
rechtspersonen/eigenaars bezit onroerende goederen die nauwelijks 3% van het
kadastraal inkomen van deze groep vertegenwoordigen. Negenennegentig procent van
de rechtspersonen/eigenaars houdt 43% van het KINI aan. Dat wil dan ook zeggen
dat het hoogste percentiel (842 rechtspersonen) 57% van alle KINI onder zich
houdt. De accumulatie van onroerend vermogen bij rechtspersonen is dus wel heel
erg groot.
|
Tabel – ongelijke verdeling van het K.I.
tussen eigenaars-rechtspersonen |
||||
|
% rechtspersonen |
% KINI 2000 |
% KINI 2001 |
%KINI 2002 |
% KINI 2003 |
|
1 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
10 |
0,031 |
0,035 |
0,045 |
0,049 |
|
20 |
0,316 |
0,335 |
0,371 |
0,392 |
|
30 |
0,861 |
0,899 |
0,957 |
0,995 |
|
40 |
1,660 |
1,719 |
1,799 |
1,859 |
|
50 |
2,794 |
2,876 |
2,980 |
3,063 |
|
60 |
4,414 |
4,519 |
4,655 |
4,761 |
|
70 |
6,822 |
6,952 |
7,120 |
7,245 |
|
80 |
10,614 |
10,777 |
10,977 |
11,129 |
|
90 |
17,628 |
17,833 |
18,089 |
18,277 |
|
99 |
42,556 |
42,925 |
43,035 |
43,336 |
|
100 |
100,000 |
100,000 |
100,000 |
100,000 |
Bovendien vergt de opmerking
dat het om niet-geconsolideerde gegevens gaat, enige toelichting. Elke
rechtspersoon (aangeleverd door het Kadaster) wordt in de database onder zijn
individuele juridische verschijningsvorm bijgehouden en groepsstructuren worden
dus niet onderkend. Mocht bovenstaande verdeling wél rekening houden met de
bestaande participatieverhoudingen tussen de rechtspersonen, dan zou de
verdeling een nog grotere ongelijkheid vertonen.
De statistische verdeling
laat zich vertalen in volgende, voor zichzelf sprekende, grafiek.

De economische structuur van
Vlaanderen, met zijn vele kleine en middelgrote ondernemingen, die lang niet
altijd onroerende goederen in eigendom hebben, geldt als een van de verklaringen
voor deze verdeling. Via een inkoppeling van de ondernemingen-databank op de
database van de OV, zou men deze stelling nog kunnen verfijnen.
Het is evident dat zoiets kan leiden tot een nog betere kennis van de
ondernemingsstructuren in Vlaanderen en dat met name het (onroerend) beleid naar
bedrijven toe ermee kan worden gedocumenteerd.
Besluit
Het data warehouse opent de deur naar beter management
en grondig beleidsvoorbereidend werk. Dat zijn ook de basisdoelstellingen
geweest bij de opbouw. Deze 'tool' schept tevens kansen voor socio-economisch en
ander multidisciplinair onderzoek. De BVV zal zich inspannen om het data
warehouse blijvend voor dit type onderzoek in te zetten. Op die manier kan de
BVV een rol spelen die tot een betere kennis van het maatschappelijk gebeuren
leidt. In een complexe welvaartsstaat is die kennis vereist om te kunnen
besturen en bij te sturen.
[1]
Voor een analyse van de verdeling van het kadastraal inkomen over
leeftijdscategorieën verwijzen we naar het Jaarverslag 2000.
[2]
Extractiedata uit het operationeel systeem naar het data warehouse: 17 en 21
januari 2002, 11 januari 2003 en 3 januari 2004.
[3]
PEN Jan (1979), Warme en koele benaderingen, in: Inkomens- en
vermogensverdeling. Notulen van het 14de Vlaams wetenschappelijk economisch
congres. Brussel: VUB. Blz. 23. - Voor een commentaar op de Britse situatie
verwijzen we naar SAMPSON Anthony (1963), De anatomie van Brittannië - De
Britse leeuw aan touwtjes. (uit het Engels vertaald door Hans De Vries,
Oorspronkelijke titel: Anatomy of Britain). Den Haag: Stok. Blz. 23-25. –
Concrete cijfers en een historische analyse over de vermogensverdeling in
Engeland vindt men bij VAN CAENEGEM Raoul Prof. (1997), Geschiedenis van
Engeland. Leuven: Davidsfonds. Blz. 206, 421-422 en de belangrijke noten 93/
94 op blz. 480. We citeren: “Ook bij de verdeling van de fortuinen is een
zeer matige nivellering onmiskenbaar. Terwijl in 1913 de rijkste 0,4% van de
bevolking maar liefst 55,6% van het kapitaal bezat en in 1936-38 1% eigenaar
was van 56%, ging het percentage na de Tweede Wereldoorlog geleidelijk naar
beneden: in 1946-50 bezat de top 1,56% 53,7% van alle rijkdom, in 1960 bezat
de top 1% nog 38% van het totaal, in 1970 nog 30% en in 1974 nog 25%. Neemt
men de bovenste 5% beati possidentes, dan is hun aandeel in het
totaal gedaald van 64% in 1960, naar 56% in 1970 en 53% in 1974.”