|
CONGO 1963-1969 |
Vertwijfeld en verweesd blijft België de Congolese toestand op de voet volgen. De studies van het CRISP zijn onontbeerlijk om op de postkoloniale periode een zicht te krijgen. Ex-kolonialen worstelen met hun verbanning uit het onmetelijke groene paradijs en botsen met het kleinburgerlijke en benepen provincialisme van het te kleine België (Geeraerts). Chomé hekelt het Katangese schimmenspel en ontmaskert Tshombe. Er zijn ook nog diegenen die de wreedheden tegen de blanken als thema nemen. En dan is Geeraerts daar weer met Gangreen, een kreet van onmacht en frustratie in een (te) erotische verpakking. We schrijven dan 1968 en het westerse consumptiemodel wordt door de studentengeneratie in vraag gesteld. De onderliggende mechanismen van de macht (politiek, kerkelijk en economisch) worden aangevallen. Het stormt van Los Angeles tot Berlijn. | |||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||