|
1960 - 1969 |
Golden
sixties - De omroep onder financiële (en politieke) controle - De
krantenuitgevers in de Raad van Beheer van de BRT - De omroep ontsnapt
niet aan mei 68 (de objectiviteitsdiscussie) - De teleurgang van de cinema
|
| De regeringen |
-
Gaston
EYSKENS III (6/11/1958 - 3/09/1960) CVP/PSC-LIB
-
Gaston
EYSKENS III (herschikt) (3/09/1960 - 27/03/1961) CVP/PSC-LIB
-
Théo
LEFEVRE (25/04/1961 - 24/05/1965) CVP/PSC-BSP
-
Pierre
HARMEL (27/07/1965 - 11/02/1966) CVP/PSC-BSP
-
Paul
VANDEN BOEYNANTS I (19/03/1966 - 7/2/1968) PSC/CVP-PVV/PLP
-
Gaston
EYSKENS IV (17/06/1968 - 8/11/1971) CVP-PSC-BSP
|
| De verkiezingen |
-
26 maart 1961
-
23 mei 1965
-
31 maart 1968
|
| De algemene
toestand |
De 'golden sixties' doen het land zwelgen in
de materialiteit. De expansie in alle sectoren van de economie levert een
nooit geziene welvaart op. Nochtans begon het eerder slecht. In december
1960 staakt het FGTB-ABVV, o.l.v. André Renard, vier weken lang tegen het
indienen van de Eenheidswet ter sanering van de economie en de
reorganisatie van de sociale en administratieve sector. In Wallonië
ontstaat een toestand die op een beginnende burgeroorlog gelijkt. De
staking loopt haar doel mis en de eenheidswet wordt toch gestemd op 13
januari 1961. Renard legt de schuld voor het mislukken van de staking bij
de Vlaamse ABVV-afdelingen. De regering had druk gebruik gemaakt van radio
en TV om de stakingen te bestrijden. (Luykx, 1978: 502-503; Mabille,
2000: 325-326) In 1965 verliezen de socialisten de verkiezingen omdat ze
in hun discours exclusief op de arbeidersklasse blijven mikken, terwijl het
zwaartepunt van de economie opschuift naar de dienstensector.
De economische groei verloopt in de jaren 60 stabieler dan
voorheen, met minder scherpe conjunctuurschommelingen. De werkloosheid
wordt bijna volledig teruggedrongen.
|
|
|
|
Aantal
werklozen in België (duizendtallen)
|
|
1960
|
1961
|
1962
|
1963
|
1964
|
1965
|
1966
|
1967
|
1968
|
1969
|
|
|
104
|
81
|
71
|
57
|
48
|
60
|
61
|
83
|
100
|
78
|
|
|
Bron:
Ministerie van Tewerkstelling, geciteerd in Deleeck, 2001: 201
|
|
|
|
De inflatie blijft in de eerste jaren
beperkt. Pas in de tweede helft van het decennium treden inflatoire
spanningen op. De periode wordt gekenmerkt door grote investeringen van
Amerikaanse multinationals, vooral in Vlaanderen. Ook Duitse en Franse
industriegiganten planten bedrijven in. Hier groeit een nieuwe
afhankelijkheid, die op termijn niet alleen voordelen heeft. De
economische beslissingsmacht overvleugelt de politieke en maakt deze
laatste schatplichtig aan de eerste.
Daarnaast is er een duidelijke
verschuiving van de werkgelegenheid naar de tertiaire sector. (KB, 1996:
10-13) Het aantal personenwagens verdrievoudigt bijna. De autostrades
ontsluiten de Kempen en de Ardennen en het weekendtoerisme bloeit open. De
weekendverblijven op het platteland en in de bossen rijzen, legaal of
illegaal, als paddestoelen uit de grond.
|
|
|
1960
|
1969
|
|
bevolking
|
9.178.154
|
9.660.154
|
|
Belgen
|
|
8.965.707
|
|
vreemdelingen
|
|
694.447
|
|
immigranten
|
42.248
|
55.243
|
|
geboorten
|
154.784
|
141.799
|
|
overlijdens
|
113.938
|
120.471
|
|
echtscheidingen
|
4.589
|
6.458
|
|
tewerkstelling
in landbouw
|
299.000
|
191.000
|
|
tewerkstelling
in industrie
|
1.554.000
|
1.603.000
|
|
tewerkstelling
in diensten
|
1.628.000
|
1.917.000
|
|
totaal
actieve bevolking
|
3.481.000
|
3.711.000
|
|
BBP
tegen lopende prijzen (mia BEF)
|
572
|
1.160
|
|
BNP
tegen constante prijzen (mia BEF)
|
795
|
1.213
|
|
groei
BNP tegen constante prijzen (%)
|
5.4
|
6.5
|
|
bruto
binnenlandse staatsschuld (mia
BEF)
|
350
|
533
|
|
bruto
buitenlandse staatsschuld in (mia BEF)
|
67.3
|
86.8
|
|
aantal
bioskoopbezoekers
|
79.556.000
|
30.389.000
|
|
|
Internationaal
Dekolonisatie
in snel tempo
Congo
|
De dekolonisatie
gaat in versneld tempo verder en die beweging brengt het Afrikaanse
continent in beroering.
De onafhankelijkheid van 'onze Congo'*
op 30 juni 1960 neemt al vlug een dramatische wending. De
links-nationalistisch georiënteerde premier Lumumba roept vragen op en de economische belangen van de Société
Générale in de mijnprovincie Katanga domineren de
ontwikkelingen. België organiseert (reeds vóór de onafhankelijkheid) en
steunt, na een korte aanzeling, tenvolle de afscheiding van Katanga en brengt er, met geldelijke steun
van de Union Minière (Société Générale), Tshombe (soms ook 'Tchombé'
of 'Tsjombé' gespeld) aan de macht. Een interventie van de UNO
is nodig maar die steunt geenszins Lumumba, nochtans democratisch
verkozen. Mobutu, die in september 1960 de macht toegeworpen krijgt, moet
ervoor zorgen dat het Congolese leger geen roet gooit in de voor België
zo belangrijke secessie van Katanga. Uiteindelijk wordt Lumumba op 17
januari 1961 vermoord, maar die eliminatie wordt pas op 13/2/1961 bekend
gemaakt. Op 17/1/1961 komt de secretaris-generaal van de VN
om in een vliegtuigcrash boven Noord-Rhodesië.
De
onafhankelijkheid** van het zwarte continent gebeurt razend snel. In
1960 gaan 16 landen hun eigen weg: Kameroen (Frankrijk, 1960), Togo
(Frankrijk, 1960), Congo (België, 1960), Madagascar (Frankrijk, 1960),
Mali (Frankrijk, 1960), Dahomey (Frankrijk, 1960; werd in 1975 'Benin'), Opper-Volta (Frankrijk, 1960),
Ivoorkust (Frankrijk, 1960), Niger (Frankrijk, 1960), Tjaad (Frankrijk,
1960), Centraal
Afrikaanse Republiek (Frankrijk, 1960), Congo-Brazza (Frankrijk, 1960),
Cyprus (Groot-Brittanië, 1960), Gabon (Frankrijk, 1960), Nigeria
(Groot-Brittanië, 1960), Mauretanië (Frankrijk, 1960).
In 1962 laat Frankrijk Algerije
eindelijk los. De bloedige strijd die er heeft gewoed, heeft natuurlijk
alles te maken met de natuurlijke rijkdommen (olie en aardgas) die er in
de Algerijnse bodem zitten. De Fransen houden er decennialang een trauma
aan over.
In 1963 volgen Zanzibar
en Kenia, beide Britse kolonies, de rij. In 1964 wordt Zambia onafhankelijk
van Groot-Brittanië en in datzelfde jaar
onttrekt het kleine maar strategisch gelegen Malta zich aan de invloed van de Britten. In 1965 komt
Gambia los van de Britten. |
|
*
zie o.m.:
VERLINDEN
P. (2002), Weg uit Congo. Het drama van de kolonialen. Leuven:
Davidsfonds.
BACQUELAINE
D. e.a. (20011116), Parlementair onderzoek met het oog op het vaststellen
van d precieze omstandigheden waarin Patrice Lumumba werd vermoord en van
de eventuele betrokkenheid daarbij van Belgische politci. Brussel:
Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers (DOC 50 03112/007)(pdf)
DE WITTE L. (1999), De moord op Lumumba. Leuven: Van Halewyck.
RUYS
M. (2000), Waarom Lumumba moest sterven. Kapellen: Pelckmans.
DE
WITTE L. (1996), Crisis in Kongo. De rol van de Verenigde Naties, de
regering-Eyskens en het koningshuis in de omverwerping van Lumumba en de
opkomst van Mobutu. Leuven: Van Halewyck.
SCHALBROECK
I. (1986), Belgisch Kongo, de dekolonisatie van een kolonie. Tielt:
Lannoo.
VERBURG
G. (1960), Afscheid van Kongo. Antwerpen: De Branding.
**Bron:
MERS, Masterbase |
|
Cinema
Contestatie
Censuur |
Het TV-bezit,
gemeten aan het aantal aangiften, kent eveneens een 'boom' en
verdrievoudigt in de periode 1960-1969. Voor de cinema betekent de
televisie een teleurgang. Het aantal bioscoopbezoekers per jaar loopt
terug van 79,6 miljoen in 1960 naar 30,4 miljoen in 1969 (Matthijs, 1988:
203). De dorpscinema, die de oudere films brengt, is het eerste
slachtoffer en moeten het afleggen tegen de TV-kwis en de soaps van eigen
bodem. Door de verhoogde mobiliteit gaat het cinemabezoek zich koppelen
aan het uitgangsleven in de grote steden.
Tegen het einde
van de jaren 60 komt de contestatiebeweging op gang. In België neemt die
ook een communautaire wending met de eis van de Vlamingen tot het vertrek
van de Franstalige studenten uit Leuven. In de cultuur en de kunsten wordt
het taboe dat rust op sexualiteit en rebellie in vraag gesteld en
doorbroken. Dit lokt verscheidene censuurmaatregelen van de overheid uit.
Zo zijn er de inbeslagnamen van boeken w.o. 'Gangreen I' van Jef Geeraerts
en 'Rode boekje voor scholieren', het verbod van invoer van het Franse
tijdschrift 'Plexus' en van 'Playboy', het verbod om de bioscoopfilms 'Ik
ben nieuwsgierig', 'Het wonder der liefde', 'L'Etreinte' en 'The Fox' in
circulatie te brengen. (WPJ, 1974: 87) |
| De omroep in
een nieuw kleed |
Op 18 mei 1960 krijgt de openbare omroep haar
gefederaliseerd statuut en in het vervolg zal er worden gesproken van de
BRT en de RTB. Er ontstaat eveneens een Instituut der Gemeenschappelijke
Diensten (IGD) dat de gebouwen, de gronden en alle technische
voorzieningen beheerde. Het IGD zou bestaan tot in 1977. (X, 1988: 87) |
|
 |
|
De financiering wordt geregeld via een
dotatie vanuit de rijksbegroting: "Op de rijksbegroting wordt elk
jaar een dotatie opgenomen ten voordele van elk der instituten bedoeld bij
deze wet." (artikel 27). Op basis van een jaarlijkse begroting,
opgemaakt en vastgesteld door de instituten en aan het parlement
medegedeeld als bijlage bij de ontwerpbegroting van het ministerie van
culturele zaken, bepaalde de staat de omvang van de toe te kennen dotatie.
Over de wijze van financiering waren de gedachten binnen Kamer en Senaat
verdeeld. Toch kan men niet zeggen dat de financieringswijze een breekpunt
in de discussies vormde. Veel meer aandacht ging naar de politieke
evenwichten in de beheersorganen en naar de objectiviteitsverplichting.
Het is natuurlijk ook waar dat een discussie over een technische materie
zoals de omroepfinanciering moeilijker te voeren is. |
|
In beide kamers werden amendementen ingediend
die het stelsel van 1930 terug wilden invoeren: een jaarlijkse
staatstoelage die gelijk was aan 90 procent van de te ontvangen som van de
radiotaksen. Senator René Noël (KPB) verantwoordde zijn amendement van 9
februari 1960 - dus na de bespreking van het rapport van H. De Man, waarin
de meeste plooien gladgestreken waren (27 januari 1960) - als volgt:
"Op grond van de beginselen zelf die de Minister heeft uiteengezet,
moet de exploitatie van de Belgische Radio en Televisie zo zelfstandig
mogelijk zijn. Door aan het instituut de tegenwaarde toe te kennen van de
belastingen, legt de Staat geen enkele uitgave vast boven het bedrag van
de voor de Belgische Radio en Televisie geïnde ontvangsten, terwijl hij
het instituut anderzijds in de mogelijkheid stelt om zich te ontwikkelen
naar verhouding van zijn rendement; zo een jaarlijkse toelage wordt
toegekend zonder verband met de belastingen, zal de begroting van de
Belgische Radio en Televisie niet in functie van de behoeften van het
instituut maar in functie van de financiële toestand van de Regering
worden bepaald, wat de normale ontwikkeling van de radio en televisie in
gevaar kan brengen." (geciteerd in Herroelen, 1982: 31). Voorwaar een
erg bedrijfseconomische benadering van de omroep door de communistische
senator. Bovendien blijkt ze, achteraf beschouwd, visionair. Een lid van
de Senaatscommissie voor culturele zaken diende zelfs een amendement in
dat luidde: "Het instituut ontvangt het gehele bedrag van de
retributies op radio- en televisieontvangtoestellen, die bestemd zijn om
zijn dienst te verzekeren." In de Kamer hield G. Dejardin (BSP) een
gelijkaardig betoog. Hij stelde dat de radiotaksen retributies zijn - wat
door minister Harmel werd toegegeven - en dat het normaal zou zijn dat
deze retributies aan de omroep zouden worden overgedragen, weliswaar na
aftrek van de inningskosten. Minister Harmel verdedigde de dotatie door te
wijzen op de soepelheid van het stelsel. De minister merkte verder op dat
sinds de oprichting van de experimentele televisie in België, de staat
geen radio- en televisietaksen meer voor zich hield. Hiermee gaf de
minister impliciet toe dat de staat dat vroeger wel had gedaan. Ook stelde
hij: "Trouwens sedert 6 à 7 jaren overschrijden de toelagen die aan
het NIR worden verleend in ruime mate de retributies. In 1960 zal de
toestand voor de eerste maal in evenwicht zijn." In antwoord op een
parlementaire vraag expliciteerde de minister de bedragen die door de
Staat waren ingehouden. Wij verwijzen naar de tabel. |
|
|
Overzicht
van de opbrengst van de radiotaksen en de toelagen voor radio aan
het NIR-INR in de periode 1931-1958 (in miljoenen BEF)
|
|
periode
|
31-39
|
40-45
|
46-50
|
51-58
|
totalen
|
|
Opbrengsten radiotaksen
|
388
|
322
|
841
|
2.416
|
3.967
|
|
Inningskosten
|
16
|
19
|
25
|
85
|
145
|
|
Netto-opbrengsten
|
372
|
303
|
816
|
2.331
|
3.822
|
|
Toelagen NIR voor radio
|
225
|
351
|
914
|
1.923
|
3.413
|
|
Blijft voor de Staat
|
+
147
|
-
48
|
-
98
|
+
408
|
+
409
|
|
Bron: Senaat, 1959-1960, stuk 119, Bijlage II - de
tabulatie werd enigszins aangepast
|
|
|
Naast bovengenoemde bedragen verleende de
Staat tussen 1951 en 1958 voor 936,2 miljoen BEF aan toelagen en voor 297
miljoen BEF financiële lasten aan het NIR-INR, samen 1,233 miljard BEF.
Daartegenover stonden inkomsten uit TV-taksen ten belope van 159 miljoen
BEF. De minister kon daaruit in 1960, bij de bespreking van de nieuwe
omroepwet, besluiten dat er ten aanzien van de TV een deficit van 1,074
miljard BEF bestond. Vermelden we nog dat een senator het onlogisch vond
dat de RTT instond voor de inning van de radio- en TV-taksen. De minister
antwoordde dat de bemerking niet ter zake deed en "dat het nog (sic!)
niet mogelijk is aan het instituut het beheer van de ontvangen taksen toe
te vertrouwen". Een steekhoudend argument om de inning niet aan de
omroep toe te wijzen, wordt aan het antwoord van de minister niet
verbonden. Men kan veronderstellen dat zo'n operatie als een te grote vorm
van financiële autonomie voor de instituten werd aanzien. Over de wet van
18 mei 1960 op de omroep schrijft William Ugeux in "150 Ans
d'Information" (1980: 50-51): "L'Indépendance, spécialement en
matière d'information, est formulée par la loi de manière à peu près
totale, sous la réserve que, alors que l'I.N.R. disposait de ressources
directes provenant de la taxe d'écoute et des droits prélevés par la
vente des appareils et des accessoires, la R.T.B., comme se sera encore le
cas pour la R.T.B.F., dépend d'un budget alloué chaque année par le
Parlement." Hiermee komt nog eens aan de oppervlakte dat men in 1980
nog altijd van mening was dat van 1930 tot 1960 de omroepfinanciering
direct gekoppeld was aan de opbrengst van de radio- en (later) de
TV-taksen. Sommige overtuigingen leiden een taai bestaan. |
| Hoe een
openbare omroep bevoogden? |
Voor politici is het antwoord op deze vraag
niet zonder belang. De mogelijkheden zijn divers. Zo kan men de censuur
invoeren, de voogdijminister in de bestuursorganen plaatsen, hem een
vetorecht verlenen, politieke benoemingen verrichten, enzovoort. Over deze
manieren zijn tal van uitstekende werken geschreven. De financiële
interventies zijn doorgaans - en naar onze mening onterecht -
onderbelicht. Nochtans is de tactiek van de restrictieve betoelaging een
controlemiddel "par excellence". Ook indien de financiering
geregeld is door middel van een rechtstreekse pijplijn tussen de kijk- en
luistergelden en de openbare omroep, dan nog kan de regering een
stringente tariefpolitiek voeren. Zelfs een omroep zoals de BBC, die
krachtens de wet volledig gefinancierd wordt door kijk- en luistergeld, is
niet volledig zeker. Whale zegt hierover het volgende: "The virtue of
a licence-fee income is in principle that although it passes through State
hands it is not handed out by the State: the State cannot make terms about
its use." Maar hij voegt er onmiddellijk aan toe dat in tijden van
hoge inflatie die stelling toch genuanceerd moet worden. "The BBC
constantly wants the licence fee raised. A rise needs Government
permission. If the Government allows an increase large enough to last four
or five years, then for most of that period the BBC can sit loose to the
favour of ministers. They may not even be there next time round. It can
try to serve truth instead. It can also (...) plan intelligently. But if
the permitted rise is calculated to withstand inflation for two years or
less, then the BBC's best security for the future is to please the party
in power. Journalists and producers will adjust their judgements
accordingly." (Whale, 1980: 153-154) |
| De radio- en
TV-taksen |
De wet van 26
januari 1960 betreffende de taksen op de toestellen voor het ontvangen van
radio-omroepuitzendingen (BSB 19600206) voert de gecombineerde taks voor
huisradio en TV in. Het jaarlijkse bedrag is 900 BEF, dus 184 BEF minder
dan de som van de afzonderlijke taksen. De draagbare radio's (portatifs)
en de autoradio's blijven wel afzonderlijk belast. De verkopers van radio-
en TV-toestellen worden verplicht in een register de verkopen bij te
houden en zij moeten de verkopen aangeven aan de minister. Dit is een
maatregel die bij de handelaars veel protest zal uitlokken. De wet trad in
werking met ingang van 1 januari 1960. Het KB van 29 januari 1960 ter
uitvoering van de wet van 26 januari 1960 (BSB 19600206) handelt uitvoerig
over de verplichtingen die aan de handelaars in radio- en TV-toestellen
worden opgelegd (verkoop- en verhuurregisters). Dit KB werd later
herhaaldelijk gewijzigd en wel door de volgende KB's:
- KB van 8
september 1964 tot wijziging van het KB van 29 januari 1960 ter uitvoering
van de wet van 26 janauri 1960 betreffende de taksen op de toestellen voor
het ontvangen van radio-omroepuitzendingen (BSB 19640929),
- KB van 24
december 1966 betreffende de netten voor distributie van
radio-omroepuitzendingen in de woningen van derden (BSB 19670124), het
zgn. "teledistributie-KB" of "kabel-KB",
- KB van 9
september 1967 tot wijziging van het KB van 29 januari 1960 ter uitvoering
van de wet van 26 janauri 1960 betreffende de taksen op de toestellen voor
het ontvangen van radio-omroepuitzendingen (BSB 19671214),
- het KB van 1
februari 1974 tot wijziging van het KB van 29 janauri ter uitvoering van
de wet van 26 januari 1960 betreffende de taksen op de toestellen voor het
ontvangen van radio-omroepuitzendingen (BSB 19740411),
- het KB van 3
augustus 1977 tot wijziging van het KB van 29 januari 1960 en 1 februari
1974 ter uitvoering van de wet van 26 januari 1960 betreffende de taksen
op de toestellen voor het ontvangen van radio-omroepuitzendingen (BSB
19770827).
De registers die
de handelaars moeten bijhouden verschaft de dienst een tweede externe bron
ter bestrijding van de ontduiking. |
|
 |
|
Het ministerieel besluit van 30 janauri 1960
ter uitvoering van de wet van 26 januari 1960 betreffende de taksen op de
toestellen voor het ontvangen van radio-omroepuitzendingen (BSB 19600130)
behandelt de vrijstellingsattesten. De wet van 24 juni 1963, wijzigend
deze van 26 januari 1960 betreffende de taksen op de toestellen van
radio-omroepuitzendingen (BSB 19630705), brengt de radiotaks van 144 op
204 BEF. De gecombineerde taks voor radio en TV wordt van 900 op 960 BEF
gebracht. De "zuivere" TV-taks blijft behouden op 900 BEF. Voor
de forse verhoging van de radiotaks wordt er geargumenteerd dat de
gemiddelde radiotaksen in de westerse landen hoger liggen dan de
Belgische. Een tabel moet dat illustreren. |
|
|
De
radiotaks in Europa in 1963
|
|
land
|
munt
|
bedrag
|
in
BEF
|
|
Zwitserland
|
FRS
|
26
|
299
|
|
West-Duitsland
|
DM
|
24
|
295
|
|
Zweden
|
KRS
|
30
|
290
|
|
Griekenland
|
DRS
|
160
|
284
|
|
Frankrijk
|
nFF
|
25
|
254
|
|
Finland
|
FMK
|
1500
|
249
|
|
Noorwegen
|
NKR
|
30
|
209
|
|
Italië
|
L
|
2450
|
197
|
|
Oostenrijk
|
SCH
|
98
|
189
|
|
Denemarken
|
KR
|
25
|
180
|
|
Portugal
|
ESC
|
100
|
174
|
|
Nederland
|
FL
|
12
|
166
|
|
België
|
BEF
|
144
|
144
|
|
Ierland
|
£
s.d.
|
1
|
140
|
|
Verenigd
Koninkrijk
|
£
|
1
|
140
|
|
G.H.
Luxemburg
|
LUF
|
96
|
96
|
|
Spanje
|
PES
|
0
|
0
|
|
|
De verhoging van de taks wordt verantwoord
door de gestegen kosten van de omroep. In de Memorie van Toelichting bij
het wetsontwerp, wordt het juridische karakter van het kijk- en
luistergeld - een belasting of een retributie - in het midden gelaten:
"Wat er ook van zij, luidens de openbare mening is deze taks de
tegenprestatie van de radiodienst die de BRT aan zijn luisteraars
bezorgt". |
| KLG
en het agentschap Belga |
Dat
het kijk- en luistergeld indirect ook bij de financiering van het
persagentschap Belga een rol heeft gespeeld, is minder bekend. In 1970
wijdde Jean Gol hier een paragraaf aan in zijn onvolprezen studie 'Le
monde de la presse en Belgique'. "Les journaux interviennent pour 53%
dans les recettes de l'agence. Ils se plaignent vivement du fait que la
RTB-BRT n'y participe que pour plus ou moins 10% alors que si la
Radio-télévision devait payer son abonnement en proportion de son
'tirage' (c'est-à-dire proportionnellement au nombre de ses licences
d'auditeurs) elle devrait contribuer pour une somme supérieure à celle
que versent tous les journaux réunis. Les éditeurs de journaux font
valoir que la radio belge ne paie actuellement comme abonnement à Belga,
par licence d'auditeur ou téléspectateur, que 1,11 cents américain, là
où la radio suisse paie 4,07 cents et la radio suédoise 6,06
cents." Dit dispuut tussen de kranten en de omroep heeft decennia
aangesleept. |
| De
radiodistributie |
Gedurende
de jaren 60 bleven er 31 netten in dienst.
Het aantal abonnees neemt echter gestaag af. |
|
|
|
Aantal
abonnees (x 1000) radiodistributie 1960-1969
|
|
1960
|
1961
|
1962
|
1963
|
1964
|
1965
|
1966
|
1967
|
1968
|
1969
|
|
|
134
|
121
|
118
|
114
|
109
|
104
|
96
|
92
|
87
|
81
|
|
|
|
Bronnen:
Jaarverslagen RTT 1960-1969
|
|
| Kabel |
In 1960 ontstond in de gemeente Saint-Servais
(Namur), waar men zelfs met hoge antennemasten het nationale tv-programma
niet kon ontvangen, het eerste Belgische en Europese kabeltelevisienet.
Het ging om een experimenteel bovengronds net van circa 5 kilometer dat
werd aangelegd door een speciaal daartoe opgerichte dochtermaatschappij
van de elektriciteitsmaatschappij Electrobel, Coditel. (Deltenre, 1984: 2)
Spoedig daarna ging Coditel over tot de uitbouw van netten in Verviers
(eind 1961) en Luik (oktober 1961). Omdat ook te Brussel
ontvangstproblemen ontstonden wegens de hoogbouw, werden er vanaf 1964
door Radio Public, Coditel en Brutéle kabelnetten aangelegd. (Van Rompay,
1980: 161) Ingevolge het KB van 24 december 1966 betreffende de netten
voor distributie van radio-omroepuitzendingen in de woningen van derden
(BSB 19670124) worden de kabelmaatschappijen verplicht een register van de
abonnees bij te houden en dit voor te leggen aan de dienst "Radio- en
Televisietaksen" te Brussel. De regeling uit 1934 werd hiermee
bekrachtigd. Bovendien wordt bepaald dat de kabelmaatschappijen een kaart
van hun verzorgingsgebied moeten doen geworden aan de RTT. Artikel 21
bepaalt dat "uitzendingen die het karakter van handelsreclame
dragen" niet mogen worden doorgegeven. Noteer dat dit verbod in de
praktijk onhaalbaar was. Zo startte Nederland in 1967 met STER-reclame. De
uitbouw van het teledistributienet zou België onvermijdelijk open zetten
voor de invloeden vanuit het buitenland en zou de discussies over reclame
op de nationale omroep in een stroomversnelling brengen. |
| Vergunningen
voor radiotoestellen |
Voor de jaren 60 beschikken we over
betrouwbare cijfers uit het archief van KLG. |
|
|
|
radio-vergunningen
|
|
jaar
|
betalend
|
vrijgesteld
|
totaal
|
|
1960
|
2.262.424
|
25.673
|
2.288.097
|
|
1961
|
2.177.393
|
27.240
|
2.204.633
|
|
1962
|
2.166.401
|
30.319
|
2.196.720
|
|
1963
|
2.052.737
|
32.160
|
2.084.897
|
|
1964
|
1.969.896
|
34.797
|
2.004.693
|
|
1965
|
1.854.037
|
33.313
|
1.887.350
|
|
1966
|
1.836.065
|
32.605
|
1.868.670
|
|
1967
|
1.828.290
|
35.294
|
1.863.584
|
|
1968
|
1.876.334
|
36.683
|
1.913.017
|
|
1969
|
1.947.739
|
39.696
|
1.987.435
|
|
Bron: Arch. KLG stuk 19720303, bijlage I
|
|
| Televisievergunningen
en gecombineerde vergunningen |
. Noteer dat vanaf 1960 een gecombineerde
taks wordt geheven op radio en televisie. We geven hieronder het overzicht
van de zuivere en de gecombineerde TV-vergunningen. |
|
|
|
betalend
|
vrijgesteld
|
|
|
jaar
|
TV
|
Radio+TV
|
TV
|
Radio+TV
|
totaal
|
|
1960
|
311.258
|
286.599
|
6.656
|
13.318
|
617.831
|
|
1961
|
286.843
|
510.927
|
4.758
|
18.181
|
820.709
|
|
1962
|
312.171
|
675.529
|
6.298
|
23.505
|
1.017.503
|
|
1963
|
348.878
|
822.282
|
7.562
|
27.600
|
1.206.322
|
|
1964
|
406.644
|
933.275
|
9.184
|
33.306
|
1.382.409
|
|
1965
|
394.391
|
1.101.845
|
10.349
|
36.891
|
1.543.476
|
|
1966
|
469.560
|
1.139.689
|
11.589
|
39.117
|
1.659.955
|
|
1967
|
509.065
|
1.213.305
|
13.784
|
43.297
|
1.779.451
|
|
1968
|
591.370
|
1.241.164
|
15.825
|
45.968
|
1.894.327
|
|
1969
|
656.152
|
1.275.677
|
18.324
|
49.683
|
1.999.836
|
|
Bron:
Arch. KLG stuk 19720303, bijlage I
|
|
|
Hieronder geven wij de evolutie van de
bruto-opbrengst, de inningskosten die de RTT inhield, de netto-opbrengst,
de staatstoelage aan de BRT en de RTB en de som van deze laatste
uitgedrukt als een percentage van de netto-opbrengst (in miljoenen BEF). |
|
|
jaar
|
bruto
(1)
|
inningskosten
(2)
|
netto
(3)
|
toelage
(4)
BRT+RTB
|
%
|
|
1960
|
769
|
23
|
746
|
725
|
97
|
|
1961
|
938
|
27
|
911
|
800
|
88
|
|
1962
|
1.124
|
31
|
1.093
|
985
|
90
|
|
1963
|
1.436
|
40
|
1.396
|
1.217
|
87
|
|
1964
|
1.589
|
52
|
1.537
|
1.466
|
95
|
|
1965
|
1.724
|
60
|
1.664
|
1.614
|
97
|
|
1966
|
1.877
|
62
|
1.815
|
1.784
|
98
|
|
1967
|
1.976
|
67
|
1.908
|
1.893
|
99
|
|
1968
|
2.057
|
72
|
1.985
|
2.065
|
104
|
|
1969
|
2.172
|
85
|
2.087
|
2.150
|
103
|
|
totaal
|
15.660
|
517
|
15.143
|
14.699
|
97
|
|
|
Bronnen: (1) Bron: Arch.
KLG stuk 19720316, RT/25148-TAB1
(2) Bron: Arch. KLG stuk
19720316, RT/25148-TAB12
(3) = (1) minus (2); (4)
De bedragen omvatten de toelagen aan de drie instituten: BRT, RTB en het
IGD.
Bronnen: a) Kamer stuk 300
(zitting 1971-1972). In het Kamerstuk 300 (zitting 1971-72) werden fouten
ontdekt wat de bruto-ontvangsten KLG betreft;
b)
voor het jaar 1969 werd een controle uitgevoerd aan de hand van het
jaarverslag van de BRT (toelage: 539.949.000 BEF) en dat van het Instituut
der Gemeenschappelijke Diensten (919.908.000 BEF toelage en 150.000.000
BEF dotatie aan het Investeringsfonds). Er werd vanuit gegaan dat de
toelage aan de RTBF even hoog was als deze aan de BRT. |
|
|
| ©MERS - laatst aangepast
op 20050515 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|