1960 - 1969

Golden sixties - De omroep onder financiële (en politieke) controle - De krantenuitgevers in de Raad van Beheer van de BRT - De omroep ontsnapt niet aan mei 68 (de objectiviteitsdiscussie) - De teleurgang van de cinema
De regeringen
  • Gaston EYSKENS III (6/11/1958 - 3/09/1960) CVP/PSC-LIB

  • Gaston EYSKENS III (herschikt) (3/09/1960 - 27/03/1961) CVP/PSC-LIB

  • Théo LEFEVRE (25/04/1961 - 24/05/1965) CVP/PSC-BSP

  • Pierre HARMEL (27/07/1965 - 11/02/1966) CVP/PSC-BSP

  • Paul VANDEN BOEYNANTS I (19/03/1966 - 7/2/1968) PSC/CVP-PVV/PLP

  • Gaston EYSKENS IV (17/06/1968 - 8/11/1971) CVP-PSC-BSP

De verkiezingen
  • 26 maart 1961

  • 23 mei 1965

  • 31 maart 1968

De algemene toestand

De 'golden sixties' doen het land zwelgen in de materialiteit. De expansie in alle sectoren van de economie levert een nooit geziene welvaart op. Nochtans begon het eerder slecht. In december 1960 staakt het FGTB-ABVV, o.l.v. André Renard, vier weken lang tegen het indienen van de Eenheidswet ter sanering van de economie en de reorganisatie van de sociale en administratieve sector. In Wallonië ontstaat een toestand die op een beginnende burgeroorlog gelijkt. De staking loopt haar doel mis en de eenheidswet wordt toch gestemd op 13 januari 1961. Renard legt de schuld voor het mislukken van de staking bij de Vlaamse ABVV-afdelingen. De regering had druk gebruik gemaakt van radio en TV om de stakingen te bestrijden. (Luykx, 1978: 502-503; Mabille, 2000: 325-326) In 1965 verliezen de socialisten de verkiezingen omdat ze in hun discours exclusief op de arbeidersklasse blijven mikken, terwijl het zwaartepunt van de economie opschuift naar de dienstensector.

De economische groei verloopt in de jaren 60 stabieler dan voorheen, met minder scherpe conjunctuurschommelingen. De werkloosheid wordt bijna volledig teruggedrongen.

 

Aantal werklozen in België (duizendtallen)

1960

1961

1962

1963

1964

1965

1966

1967

1968

1969

 

104

81

71

57

48

60

61

83

100

78

 

Bron: Ministerie van Tewerkstelling, geciteerd in Deleeck, 2001: 201

 

De inflatie blijft in de eerste jaren beperkt. Pas in de tweede helft van het decennium treden inflatoire spanningen op. De periode wordt gekenmerkt door grote investeringen van Amerikaanse multinationals, vooral in Vlaanderen. Ook Duitse en Franse industriegiganten planten bedrijven in. Hier groeit een nieuwe afhankelijkheid, die op termijn niet alleen voordelen heeft. De economische beslissingsmacht overvleugelt de politieke en maakt deze laatste schatplichtig aan de eerste.

Daarnaast is er een duidelijke verschuiving van de werkgelegenheid naar de tertiaire sector. (KB, 1996: 10-13) Het aantal personenwagens verdrievoudigt bijna. De autostrades ontsluiten de Kempen en de Ardennen en het weekendtoerisme bloeit open. De weekendverblijven op het platteland en in de bossen rijzen, legaal of illegaal, als paddestoelen uit de grond.

 

1960

1969

bevolking

9.178.154

9.660.154

Belgen

 

8.965.707

vreemdelingen

 

694.447

immigranten

42.248

55.243

geboorten

154.784

141.799

overlijdens

113.938

120.471

echtscheidingen

4.589

6.458

tewerkstelling in landbouw

299.000

191.000

tewerkstelling in industrie

1.554.000

1.603.000

tewerkstelling in diensten

1.628.000

1.917.000

totaal actieve bevolking

3.481.000

3.711.000

BBP tegen lopende prijzen (mia BEF)

572

1.160

BNP tegen constante prijzen (mia BEF)

795

1.213

groei BNP tegen constante prijzen (%)

5.4

6.5

bruto binnenlandse staatsschuld  (mia BEF)

350

533

bruto buitenlandse staatsschuld in (mia BEF)

67.3

86.8

aantal bioskoopbezoekers

79.556.000

30.389.000

Internationaal

Dekolonisatie in snel tempo

Congo

 

De dekolonisatie gaat in versneld tempo verder en die beweging brengt het Afrikaanse continent in beroering. 

De onafhankelijkheid van 'onze Congo'* op 30 juni 1960 neemt al vlug een dramatische wending. De links-nationalistisch georiënteerde premier Lumumba roept vragen op en de economische belangen van de Société Générale  in de mijnprovincie Katanga domineren de ontwikkelingen. België organiseert (reeds vóór de onafhankelijkheid) en steunt, na een korte aanzeling, tenvolle de afscheiding van Katanga en brengt er, met geldelijke steun van de Union Minière (Société Générale), Tshombe (soms ook 'Tchombé' of 'Tsjombé' gespeld) aan de macht. Een interventie van de UNO is nodig maar die steunt geenszins Lumumba, nochtans democratisch verkozen. Mobutu, die in september 1960 de macht toegeworpen krijgt, moet ervoor zorgen dat het Congolese leger geen roet gooit in de voor België zo belangrijke secessie van Katanga. Uiteindelijk wordt Lumumba op 17 januari 1961 vermoord, maar die eliminatie wordt pas op 13/2/1961 bekend gemaakt. Op 17/1/1961 komt de secretaris-generaal van de VN om in een vliegtuigcrash boven Noord-Rhodesië.

 

De onafhankelijkheid** van het zwarte continent gebeurt razend snel.  In 1960 gaan 16 landen hun eigen weg: Kameroen (Frankrijk, 1960), Togo (Frankrijk, 1960), Congo (België, 1960), Madagascar (Frankrijk, 1960), Mali (Frankrijk, 1960), Dahomey (Frankrijk, 1960; werd in 1975 'Benin'), Opper-Volta (Frankrijk, 1960), Ivoorkust (Frankrijk, 1960), Niger (Frankrijk, 1960), Tjaad (Frankrijk, 1960), Centraal Afrikaanse Republiek (Frankrijk, 1960), Congo-Brazza (Frankrijk, 1960), Cyprus (Groot-Brittanië, 1960), Gabon (Frankrijk, 1960), Nigeria (Groot-Brittanië, 1960), Mauretanië (Frankrijk, 1960). 

In 1962 laat Frankrijk Algerije eindelijk los. De bloedige strijd die er heeft gewoed, heeft natuurlijk alles te maken met de natuurlijke rijkdommen (olie en aardgas) die er in de Algerijnse bodem zitten. De Fransen houden er decennialang een trauma aan over. 

In 1963 volgen Zanzibar en Kenia, beide Britse kolonies, de rij. In 1964 wordt Zambia onafhankelijk van Groot-Brittanië en in datzelfde jaar onttrekt het kleine maar strategisch gelegen Malta zich aan de invloed van de Britten. In 1965 komt Gambia los van de Britten.

* zie o.m.: 

VERLINDEN P. (2002), Weg uit Congo. Het drama van de kolonialen. Leuven: Davidsfonds.

BACQUELAINE D. e.a. (20011116), Parlementair onderzoek met het oog op het vaststellen van d precieze omstandigheden waarin Patrice Lumumba werd vermoord en van de eventuele betrokkenheid daarbij van Belgische politci. Brussel: Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers (DOC 50 03112/007)(pdf)

DE WITTE L. (1999), De moord op Lumumba. Leuven: Van Halewyck.

RUYS M. (2000), Waarom Lumumba moest sterven. Kapellen: Pelckmans. 

DE WITTE L. (1996), Crisis in Kongo. De rol van de Verenigde Naties, de regering-Eyskens en het koningshuis in de omverwerping van Lumumba en de opkomst van Mobutu. Leuven: Van Halewyck. 

SCHALBROECK I. (1986), Belgisch Kongo, de dekolonisatie van een kolonie. Tielt: Lannoo.

 VERBURG G. (1960), Afscheid van Kongo. Antwerpen: De Branding.

**Bron: MERS, Masterbase

Cinema

Contestatie

Censuur

Het TV-bezit, gemeten aan het aantal aangiften, kent eveneens een 'boom' en verdrievoudigt in de periode 1960-1969. Voor de cinema betekent de televisie een teleurgang. Het aantal bioscoopbezoekers per jaar loopt terug van 79,6 miljoen in 1960 naar 30,4 miljoen in 1969 (Matthijs, 1988: 203). De dorpscinema, die de oudere films brengt, is het eerste slachtoffer en moeten het afleggen tegen de TV-kwis en de soaps van eigen bodem. Door de verhoogde mobiliteit gaat het cinemabezoek zich koppelen aan het uitgangsleven in de grote steden.

Tegen het einde van de jaren 60 komt de contestatiebeweging op gang. In België neemt die ook een communautaire wending met de eis van de Vlamingen tot het vertrek van de Franstalige studenten uit Leuven. In de cultuur en de kunsten wordt het taboe dat rust op sexualiteit en rebellie in vraag gesteld en doorbroken. Dit lokt verscheidene censuurmaatregelen van de overheid uit. Zo zijn er de inbeslagnamen van boeken w.o. 'Gangreen I' van Jef Geeraerts en 'Rode boekje voor scholieren', het verbod van invoer van het Franse tijdschrift 'Plexus' en van 'Playboy', het verbod om de bioscoopfilms 'Ik ben nieuwsgierig', 'Het wonder der liefde', 'L'Etreinte' en 'The Fox' in circulatie te brengen. (WPJ, 1974: 87)

De omroep in een nieuw kleed Op 18 mei 1960 krijgt de openbare omroep haar gefederaliseerd statuut en in het vervolg zal er worden gesproken van de BRT en de RTB. Er ontstaat eveneens een Instituut der Gemeenschappelijke Diensten (IGD) dat de gebouwen, de gronden en alle technische voorzieningen beheerde. Het IGD zou bestaan tot in 1977. (X, 1988: 87)
De financiering wordt geregeld via een dotatie vanuit de rijksbegroting: "Op de rijksbegroting wordt elk jaar een dotatie opgenomen ten voordele van elk der instituten bedoeld bij deze wet." (artikel 27). Op basis van een jaarlijkse begroting, opgemaakt en vastgesteld door de instituten en aan het parlement medegedeeld als bijlage bij de ontwerpbegroting van het ministerie van culturele zaken, bepaalde de staat de omvang van de toe te kennen dotatie. Over de wijze van financiering waren de gedachten binnen Kamer en Senaat verdeeld. Toch kan men niet zeggen dat de financieringswijze een breekpunt in de discussies vormde. Veel meer aandacht ging naar de politieke evenwichten in de beheersorganen en naar de objectiviteitsverplichting. Het is natuurlijk ook waar dat een discussie over een technische materie zoals de omroepfinanciering moeilijker te voeren is.
In beide kamers werden amendementen ingediend die het stelsel van 1930 terug wilden invoeren: een jaarlijkse staatstoelage die gelijk was aan 90 procent van de te ontvangen som van de radiotaksen. Senator René Noël (KPB) verantwoordde zijn amendement van 9 februari 1960 - dus na de bespreking van het rapport van H. De Man, waarin de meeste plooien gladgestreken waren (27 januari 1960) - als volgt: "Op grond van de beginselen zelf die de Minister heeft uiteengezet, moet de exploitatie van de Belgische Radio en Televisie zo zelfstandig mogelijk zijn. Door aan het instituut de tegenwaarde toe te kennen van de belastingen, legt de Staat geen enkele uitgave vast boven het bedrag van de voor de Belgische Radio en Televisie geïnde ontvangsten, terwijl hij het instituut anderzijds in de mogelijkheid stelt om zich te ontwikkelen naar verhouding van zijn rendement; zo een jaarlijkse toelage wordt toegekend zonder verband met de belastingen, zal de begroting van de Belgische Radio en Televisie niet in functie van de behoeften van het instituut maar in functie van de financiële toestand van de Regering worden bepaald, wat de normale ontwikkeling van de radio en televisie in gevaar kan brengen." (geciteerd in Herroelen, 1982: 31). Voorwaar een erg bedrijfseconomische benadering van de omroep door de communistische senator. Bovendien blijkt ze, achteraf beschouwd, visionair. Een lid van de Senaatscommissie voor culturele zaken diende zelfs een amendement in dat luidde: "Het instituut ontvangt het gehele bedrag van de retributies op radio- en televisieontvangtoestellen, die bestemd zijn om zijn dienst te verzekeren." In de Kamer hield G. Dejardin (BSP) een gelijkaardig betoog. Hij stelde dat de radiotaksen retributies zijn - wat door minister Harmel werd toegegeven - en dat het normaal zou zijn dat deze retributies aan de omroep zouden worden overgedragen, weliswaar na aftrek van de inningskosten. Minister Harmel verdedigde de dotatie door te wijzen op de soepelheid van het stelsel. De minister merkte verder op dat sinds de oprichting van de experimentele televisie in België, de staat geen radio- en televisietaksen meer voor zich hield. Hiermee gaf de minister impliciet toe dat de staat dat vroeger wel had gedaan. Ook stelde hij: "Trouwens sedert 6 à 7 jaren overschrijden de toelagen die aan het NIR worden verleend in ruime mate de retributies. In 1960 zal de toestand voor de eerste maal in evenwicht zijn." In antwoord op een parlementaire vraag expliciteerde de minister de bedragen die door de Staat waren ingehouden. Wij verwijzen naar de tabel.

Overzicht van de opbrengst van de radiotaksen en de toelagen voor radio aan het NIR-INR in de periode 1931-1958 (in miljoenen BEF)

periode

31-39

40-45

46-50

51-58

totalen

Opbrengsten radiotaksen

388

322

841

2.416

3.967

Inningskosten

16

19

25

85

145

Netto-opbrengsten

372

303

816

2.331

3.822

Toelagen NIR voor radio

225

351

914

1.923

3.413

Blijft voor de Staat

+ 147

- 48

- 98

+ 408

+ 409

Bron: Senaat, 1959-1960, stuk 119, Bijlage II - de tabulatie werd enigszins aangepast

Naast bovengenoemde bedragen verleende de Staat tussen 1951 en 1958 voor 936,2 miljoen BEF aan toelagen en voor 297 miljoen BEF financiële lasten aan het NIR-INR, samen 1,233 miljard BEF. Daartegenover stonden inkomsten uit TV-taksen ten belope van 159 miljoen BEF. De minister kon daaruit in 1960, bij de bespreking van de nieuwe omroepwet, besluiten dat er ten aanzien van de TV een deficit van 1,074 miljard BEF bestond. Vermelden we nog dat een senator het onlogisch vond dat de RTT instond voor de inning van de radio- en TV-taksen. De minister antwoordde dat de bemerking niet ter zake deed en "dat het nog (sic!) niet mogelijk is aan het instituut het beheer van de ontvangen taksen toe te vertrouwen". Een steekhoudend argument om de inning niet aan de omroep toe te wijzen, wordt aan het antwoord van de minister niet verbonden. Men kan veronderstellen dat zo'n operatie als een te grote vorm van financiële autonomie voor de instituten werd aanzien. Over de wet van 18 mei 1960 op de omroep schrijft William Ugeux in "150 Ans d'Information" (1980: 50-51): "L'Indépendance, spécialement en matière d'information, est formulée par la loi de manière à peu près totale, sous la réserve que, alors que l'I.N.R. disposait de ressources directes provenant de la taxe d'écoute et des droits prélevés par la vente des appareils et des accessoires, la R.T.B., comme se sera encore le cas pour la R.T.B.F., dépend d'un budget alloué chaque année par le Parlement." Hiermee komt nog eens aan de oppervlakte dat men in 1980 nog altijd van mening was dat van 1930 tot 1960 de omroepfinanciering direct gekoppeld was aan de opbrengst van de radio- en (later) de TV-taksen. Sommige overtuigingen leiden een taai bestaan.
Hoe een openbare omroep bevoogden? Voor politici is het antwoord op deze vraag niet zonder belang. De mogelijkheden zijn divers. Zo kan men de censuur invoeren, de voogdijminister in de bestuursorganen plaatsen, hem een vetorecht verlenen, politieke benoemingen verrichten, enzovoort. Over deze manieren zijn tal van uitstekende werken geschreven. De financiële interventies zijn doorgaans - en naar onze mening onterecht - onderbelicht. Nochtans is de tactiek van de restrictieve betoelaging een controlemiddel "par excellence". Ook indien de financiering geregeld is door middel van een rechtstreekse pijplijn tussen de kijk- en luistergelden en de openbare omroep, dan nog kan de regering een stringente tariefpolitiek voeren. Zelfs een omroep zoals de BBC, die krachtens de wet volledig gefinancierd wordt door kijk- en luistergeld, is niet volledig zeker. Whale zegt hierover het volgende: "The virtue of a licence-fee income is in principle that although it passes through State hands it is not handed out by the State: the State cannot make terms about its use." Maar hij voegt er onmiddellijk aan toe dat in tijden van hoge inflatie die stelling toch genuanceerd moet worden. "The BBC constantly wants the licence fee raised. A rise needs Government permission. If the Government allows an increase large enough to last four or five years, then for most of that period the BBC can sit loose to the favour of ministers. They may not even be there next time round. It can try to serve truth instead. It can also (...) plan intelligently. But if the permitted rise is calculated to withstand inflation for two years or less, then the BBC's best security for the future is to please the party in power. Journalists and producers will adjust their judgements accordingly." (Whale, 1980: 153-154)
De radio- en TV-taksen

De wet van 26 januari 1960 betreffende de taksen op de toestellen voor het ontvangen van radio-omroepuitzendingen (BSB 19600206) voert de gecombineerde taks voor huisradio en TV in. Het jaarlijkse bedrag is 900 BEF, dus 184 BEF minder dan de som van de afzonderlijke taksen. De draagbare radio's (portatifs) en de autoradio's blijven wel afzonderlijk belast. De verkopers van radio- en TV-toestellen worden verplicht in een register de verkopen bij te houden en zij moeten de verkopen aangeven aan de minister. Dit is een maatregel die bij de handelaars veel protest zal uitlokken. De wet trad in werking met ingang van 1 januari 1960. Het KB van 29 januari 1960 ter uitvoering van de wet van 26 januari 1960 (BSB 19600206) handelt uitvoerig over de verplichtingen die aan de handelaars in radio- en TV-toestellen worden opgelegd (verkoop- en verhuurregisters). Dit KB werd later herhaaldelijk gewijzigd en wel door de volgende KB's:

- KB van 8 september 1964 tot wijziging van het KB van 29 januari 1960 ter uitvoering van de wet van 26 janauri 1960 betreffende de taksen op de toestellen voor het ontvangen van radio-omroepuitzendingen (BSB 19640929),

- KB van 24 december 1966 betreffende de netten voor distributie van radio-omroepuitzendingen in de woningen van derden (BSB 19670124), het zgn. "teledistributie-KB" of "kabel-KB",

- KB van 9 september 1967 tot wijziging van het KB van 29 januari 1960 ter uitvoering van de wet van 26 janauri 1960 betreffende de taksen op de toestellen voor het ontvangen van radio-omroepuitzendingen (BSB 19671214),

- het KB van 1 februari 1974 tot wijziging van het KB van 29 janauri ter uitvoering van de wet van 26 januari 1960 betreffende de taksen op de toestellen voor het ontvangen van radio-omroepuitzendingen (BSB 19740411),

- het KB van 3 augustus 1977 tot wijziging van het KB van 29 januari 1960 en 1 februari 1974 ter uitvoering van de wet van 26 januari 1960 betreffende de taksen op de toestellen voor het ontvangen van radio-omroepuitzendingen (BSB 19770827).

De registers die de handelaars moeten bijhouden verschaft de dienst een tweede externe bron ter bestrijding van de ontduiking.

Het ministerieel besluit van 30 janauri 1960 ter uitvoering van de wet van 26 januari 1960 betreffende de taksen op de toestellen voor het ontvangen van radio-omroepuitzendingen (BSB 19600130) behandelt de vrijstellingsattesten. De wet van 24 juni 1963, wijzigend deze van 26 januari 1960 betreffende de taksen op de toestellen van radio-omroepuitzendingen (BSB 19630705), brengt de radiotaks van 144 op 204 BEF. De gecombineerde taks voor radio en TV wordt van 900 op 960 BEF gebracht. De "zuivere" TV-taks blijft behouden op 900 BEF. Voor de forse verhoging van de radiotaks wordt er geargumenteerd dat de gemiddelde radiotaksen in de westerse landen hoger liggen dan de Belgische. Een tabel moet dat illustreren.

De radiotaks in Europa in 1963

land

munt

bedrag

in BEF

Zwitserland

FRS

26

299

West-Duitsland

DM

24

295

Zweden

KRS

30

290

Griekenland

DRS

160

284

Frankrijk

nFF

25

254

Finland

FMK

1500

249

Noorwegen

NKR

30

209

Italië

L

2450

197

Oostenrijk

SCH

98

189

Denemarken

KR

25

180

Portugal

ESC

100

174

Nederland

FL

12

166

België

BEF

144

144

Ierland

£ s.d.

1

140

Verenigd Koninkrijk

£

1

140

G.H. Luxemburg

LUF

96

96

Spanje

PES

0

0

De verhoging van de taks wordt verantwoord door de gestegen kosten van de omroep. In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp, wordt het juridische karakter van het kijk- en luistergeld - een belasting of een retributie - in het midden gelaten: "Wat er ook van zij, luidens de openbare mening is deze taks de tegenprestatie van de radiodienst die de BRT aan zijn luisteraars bezorgt".
KLG en het agentschap Belga Dat het kijk- en luistergeld indirect ook bij de financiering van het persagentschap Belga een rol heeft gespeeld, is minder bekend. In 1970 wijdde Jean Gol hier een paragraaf aan in zijn onvolprezen studie 'Le monde de la presse en Belgique'. "Les journaux interviennent pour 53% dans les recettes de l'agence. Ils se plaignent vivement du fait que la RTB-BRT n'y participe que pour plus ou moins 10% alors que si la Radio-télévision devait payer son abonnement en proportion de son 'tirage' (c'est-à-dire proportionnellement au nombre de ses licences d'auditeurs) elle devrait contribuer pour une somme supérieure à celle que versent tous les journaux réunis. Les éditeurs de journaux font valoir que la radio belge ne paie actuellement comme abonnement à Belga, par licence d'auditeur ou téléspectateur, que 1,11 cents américain, là où la radio suisse paie 4,07 cents et la radio suédoise 6,06 cents." Dit dispuut tussen de kranten en de omroep heeft decennia aangesleept. 
De radiodistributie Gedurende de jaren 60 bleven er 31 netten in dienst. Het aantal abonnees neemt echter gestaag af.

 

Aantal abonnees (x 1000) radiodistributie 1960-1969

1960

1961

1962

1963

1964

1965

1966

1967

1968

1969

 

134

121

118

114

109

104

96

92

87

81

 

 

Bronnen: Jaarverslagen RTT 1960-1969

Kabel In 1960 ontstond in de gemeente Saint-Servais (Namur), waar men zelfs met hoge antennemasten het nationale tv-programma niet kon ontvangen, het eerste Belgische en Europese kabeltelevisienet. Het ging om een experimenteel bovengronds net van circa 5 kilometer dat werd aangelegd door een speciaal daartoe opgerichte dochtermaatschappij van de elektriciteitsmaatschappij Electrobel, Coditel. (Deltenre, 1984: 2) Spoedig daarna ging Coditel over tot de uitbouw van netten in Verviers (eind 1961) en Luik (oktober 1961). Omdat ook te Brussel ontvangstproblemen ontstonden wegens de hoogbouw, werden er vanaf 1964 door Radio Public, Coditel en Brutéle kabelnetten aangelegd. (Van Rompay, 1980: 161) Ingevolge het KB van 24 december 1966 betreffende de netten voor distributie van radio-omroepuitzendingen in de woningen van derden (BSB 19670124) worden de kabelmaatschappijen verplicht een register van de abonnees bij te houden en dit voor te leggen aan de dienst "Radio- en Televisietaksen" te Brussel. De regeling uit 1934 werd hiermee bekrachtigd. Bovendien wordt bepaald dat de kabelmaatschappijen een kaart van hun verzorgingsgebied moeten doen geworden aan de RTT. Artikel 21 bepaalt dat "uitzendingen die het karakter van handelsreclame dragen" niet mogen worden doorgegeven. Noteer dat dit verbod in de praktijk onhaalbaar was. Zo startte Nederland in 1967 met STER-reclame. De uitbouw van het teledistributienet zou België onvermijdelijk open zetten voor de invloeden vanuit het buitenland en zou de discussies over reclame op de nationale omroep in een stroomversnelling brengen.
Vergunningen voor radiotoestellen Voor de jaren 60 beschikken we over betrouwbare cijfers uit het archief van KLG.

 

radio-vergunningen

jaar

betalend

vrijgesteld

totaal

1960

2.262.424

25.673

2.288.097

1961

2.177.393

27.240

2.204.633

1962

2.166.401

30.319

2.196.720

1963

2.052.737

32.160

2.084.897

1964

1.969.896

34.797

2.004.693

1965

1.854.037

33.313

1.887.350

1966

1.836.065

32.605

1.868.670

1967

1.828.290

35.294

1.863.584

1968

1.876.334

36.683

1.913.017

1969

1.947.739

39.696

1.987.435

Bron: Arch. KLG stuk 19720303, bijlage I

Televisievergunningen en gecombineerde vergunningen . Noteer dat vanaf 1960 een gecombineerde taks wordt geheven op radio en televisie. We geven hieronder het overzicht van de zuivere en de gecombineerde TV-vergunningen.

 

betalend

vrijgesteld

 

jaar

TV

Radio+TV

TV

Radio+TV

totaal

1960

311.258

286.599

6.656

13.318

617.831

1961

286.843

510.927

4.758

18.181

820.709

1962

312.171

675.529

6.298

23.505

1.017.503

1963

348.878

822.282

7.562

27.600

1.206.322

1964

406.644

933.275

9.184

33.306

1.382.409

1965

394.391

1.101.845

10.349

36.891

1.543.476

1966

469.560

1.139.689

11.589

39.117

1.659.955

1967

509.065

1.213.305

13.784

43.297

1.779.451

1968

591.370

1.241.164

15.825

45.968

1.894.327

1969

656.152

1.275.677

18.324

49.683

1.999.836

 Bron: Arch. KLG stuk 19720303, bijlage I

Hieronder geven wij de evolutie van de bruto-opbrengst, de inningskosten die de RTT inhield, de netto-opbrengst, de staatstoelage aan de BRT en de RTB en de som van deze laatste uitgedrukt als een percentage van de netto-opbrengst (in miljoenen BEF).

jaar

bruto

(1)

inningskosten

(2)

netto (3)

toelage (4)

BRT+RTB

%

1960

769

23

746

725

97

1961

938

27

911

800

88

1962

1.124

31

1.093

985

90

1963

1.436

40

1.396

1.217

87

1964

1.589

52

1.537

1.466

95

1965

1.724

60

1.664

1.614

97

1966

1.877

62

1.815

1.784

98

1967

1.976

67

1.908

1.893

99

1968

2.057

72

1.985

2.065

104

1969

2.172

85

2.087

2.150

103

totaal

15.660

517

15.143

14.699

97

Bronnen: (1) Bron: Arch. KLG stuk 19720316, RT/25148-TAB1

(2) Bron: Arch. KLG stuk 19720316, RT/25148-TAB12

(3) = (1) minus (2); (4) De bedragen omvatten de toelagen aan de drie instituten: BRT, RTB en het IGD.

Bronnen: a) Kamer stuk 300 (zitting 1971-1972). In het Kamerstuk 300 (zitting 1971-72) werden fouten ontdekt wat de bruto-ontvangsten KLG betreft;

b) voor het jaar 1969 werd een controle uitgevoerd aan de hand van het jaarverslag van de BRT (toelage: 539.949.000 BEF) en dat van het Instituut der Gemeenschappelijke Diensten (919.908.000 BEF toelage en 150.000.000 BEF dotatie aan het Investeringsfonds). Er werd vanuit gegaan dat de toelage aan de RTBF even hoog was als deze aan de BRT.

©MERS - laatst aangepast op 20050515