1944-1949

Van DBNRO naar NIR. - De minister zit nog steeds de Raad van Beheer voor - De private radiozenders buiten spel gezet - Het NIR-monopolie wordt versterkt - De repressie - De Koningskwestie
De regeringen
  • Hubert PIERLOT (26/09/1944 - 7/02/1945) KAT-LIB-SOC-COM

  • Achille VAN ACKER I (12/02/1945 - 2/08/1945) KAT-LIB-SOC-COM

  • Achille VAN ACKER II (2/08/1945 - 9/01/1946) SOC-LIB-COM-UDB

  • Paul-Henri SPAAK I (13/03/1946 - 19/03/1946) SOC

  • Achille VAN ACKER III (31/03/1946 - 9/07/1946) SOC-LIB-COM

  • Camille HUYSMANS (3/08/1946 - 12/03/1947) SOC-LIB-COM

  • Paul-Henri SPAAK II (20/03/1947 - 19/11/1948) PSB/BSP-PSC/CVP

  • Paul-Henri SPAAK III (27/11/1948 - 27/06/1949) PSB/BSP-PSC/CVP

  • Gaston EYSKENS I (11/08/1949 - 6/06/1950) CVP/PSC-LIB

De verkiezingen
  • 17 februari 1946

  • 26 juni 1949 mét kiesplicht voor vrouwen

De algemene toestand

Pierlot

 

 

Leopold III

Het oorlogskabinet Pierlot wordt, onder druk van het (vooral linkse) straatgeweld, uitgebreid met de communisten, die zich vanaf 1945 bekeerden tot het unitarisme onder Franstalig gezag. In zes jaar tijd ziet België 9 regeringen opstaan en vallen. De eerste bewindsploegen regeren zonder een mandaat van de kiezer. Daarmee wordt gewacht tot de verkiezingen van 17 februari 1946. De repressiejaren na tweede wereldoorlog zijn de schandelijkste uit onze geschiedenis. Wraak en haat, persoonlijke afrekeningen, moord en daden, opdoemend uit de laagste instinkten van de mens, kunnen gedijen in een klimaat van rechteloosheid. Het gepeupel en de 'verzetsstrijders' van het laatste uur regeren op straat en in de rechtszalen. De overheid kan, durft of wil deze wantoestanden niet onder controle brengen. Een oorlog roeit nooit het kwaad uit waartegen hij wordt gevoerd.

Er worden executies van collaborateurs verricht tussen november 1944 en 4 juni 1949.

De periode kunnen we er een noemen van anarchie en dubieuze rechtspraak. Het justitiedepartement is een heet hangijzer en wisselt veelvuldig van titularis.  

In 1948 publiceerde Gerard Walschap zijn moedig 'Zwart en Wit' en dat zorgt voor heel wat herrie, ook bij Nederlandse critici. De noordelijke verontwaardiging culmineert in een artikel van Johan Van der Woude in Vrij Nederland dat Walschap een medeplichtige noemt, zijn boek een verheerlijking van de karakterloosheid en onfatsoen. Walschap is geen ogenblik bij de pakken blijven zitten en heeft zich verdedigd in een agressief ingezonden stuk aan voornoemd weekblad, waarin hij Van der Woude bestempelt als  behorende tot "de blaaskaken die zich door het constateren van de evidente, menselijke realiteit beledigd en te kort gedaan achten. Het is uit dat hoovaardig slijk van de straat, vervolgt Walschap, dat jodenvervolgers, inquisiteurs, ketterjagers, onderzoekers van andermans geweten, met één woord al de ongure typen van de onverdraagzaamheid en het fanatisme zijn samengeraapt." (geciteerd in Omtrent, tijdschrift van het Gerard Walschap Genootschap, november 2005, nr 12).

De koningskwestie leidt naar een pré-revolutionaire fase. Tegen de mogelijke terugkeer van Leopold III wordt vanaf medio 1945 een persoffensief gelanceerd door zowat alle kranten, uitgezonderd de Vlaams-katholieke. De hetze is niet zozeer tegen de monarchie, dan wel tegen de figuur van Leopold gericht. Hierbij worden over en weer taktieken gebruikt die weinig met journalistiek maar alles met propaganda te maken hebben. Dit mag in feite geen verwondering wekken: tijdens de oorlogsjaren heeft men in pers- en omroepmiddens geen andere weg bewandeld dan die van de propaganda. Het vijand-denken en het ongenuanceerd culpabiliseren van de tegenpartij overheerst nog steeds in de pers, die sterk partijpolitiek gebonden is. De radio-omroep fungeert als een verlengstuk van de uitvoerende macht.

De macht van de partijpolitiek wordt in deze periode volledig gerestaureerd en naar onze mening is dat de drijvende kracht achter de gehele koningskwestie. Niet de ruzie tussen ministers en de koning omtrent de capitulatie in mei 1940, niet zijn achterblijven in België, niet diens contact met Hitler, niet zijn huwelijk met Liliane Baels ... Dat zijn slechts de drogredenen waarmee men de publieke opinie kon bewerken. Het werkelijke gevaar ligt in het zogenaamde Politieke Testament van Leopold III, een document dat hij begin 1944 had opgesteld. Het bekend raken van de inhoud ervan was dynamiet en zou zeker een oncontroleerbare kettingreactie teweeg brengen waarbij de particratie en de Franstalige bourgeoisie aan het kortste eind zouden trekken. Alhoewel het Politiek Testament reeds op 9 september 1944 aan premier Pierlot en aan Spaak werd overhandigd, zal de integrale tekst pas vijf jaar  later, in 1949, bekend raken. Tegen die tijd was de positie van de drie traditionele politieke partijen stevig geconsolideerd. Het voortdurend streven van de drie grote partijen naar consolidatie van de macht is trouwens een constante in de Belgische politiek. De overlevingskansen van partijpolitieke initiatieven buiten het kader van de grote drie zijn dan ook minimaal of onbestaand. 

Maar waarover handelde dan dat zgn. politieke testament? Waarin schuilde het gevaar?

Het is wellicht niet overbodig de integrale tekst hier in herinnering te brengen. Het mag immers verwondering wekken dat gerenommeerde historici, zoals bvb. Velaers en Van Goethem, die in 1994 een boek van 1.152 bladzijden wijdden aan de koningskwestie, nalaten de lezer zelf te laten oordelen over een van de belangwekkendste teksten uit de Belgische geschiedenis.

 

Het Politieke Testament 

van Leopold III

MEMORANDUM, GESCHREVEN OM PERSOONLIJK 

EN VERTROUWELIJK AAN DE HEER PIERLOT TE WORDEN OVERHANDIGD, 

VOLTOOID OP 25 JANUARI 1944

We zijn in het zesde oorlogsjaar aanbeland. Niets laat ons toe met zekerheid te stellen dat het staken van de vijandelijkheden in Europa of de bevrijding van ons grondgebied dichtbij zijn. Maar een zodanige wending van de gebeurtenissen, die een plotselinge wijziging van het bezettingsregime in België met zich zou brengen, is in de toekomst mogelijk.

Op 29 mei 1940 werd ik, op bevel van de Führer Kanselier van het Reich, van Brugge naar het kasteel van Laken overgebracht. Dat werd mijn verplichte verblijfplaats, ondanks mijn uitdrukkelijke wens om het lot van mijn leger te delen.

Het is niet uitgesloten dat de Duitse overheid mij om militaire of politieke redenen een nieuwe verblijfplaats oplegt en ditmaal buiten het koninkrijk.

Ik vind het belangrijk dat het land, in de misschien lange tussentijd tussen zijn bevrijding en mijn terugkeer uit gevangenschap, in die beslissende dagen niet verstoken zou blijven van adviezen van mijn kant over aangelegenheden van het allergrootste belang.

Dat is de reden waarom ik hier, ten gerieve van hen die de macht tijdelijk zouden uitoefenen, mijn aanbevelingen op papier zet betreffende het te volgen beleid in het hoger belang van de natie.

Om alle vooroordelen en twijfels weg te nemen, meen ik dat het nuttig is om vooraf kort uiteen te zetten welke mijn houding is geweest sedert mei 1940.

1. Vooreerst heb ik op 25 mei geoordeeld - en ik ben inmiddels nooit van gedacht veranderd - dat het strijdig geweest ware met het belang van het land als ik met de ministers naar het buitenland zou zijn vertrokken.

Het leger in de steek laten voordat de strijd beëindigd was, zou een militaire fout zijn geweest, want elke weerstand zou ogenblikkelijk zijn gestaakt.

Vluchten op het moment dat de wapens werden neergelegd, leek mij een daad die strijdig was met de eer van een legeraanvoerder.

Mijn aanwezigheid in het buitenland zonder militaire macht van betekenis, zou een louter symbolische waarde hebben gehad. Daartoe volstonden enkele ministers.

Maar, eens het grondgebied zich in de macht van de aanvaller bevond, was het belangrijk dat het staatshoofd het land slechts verliet, weggevoerd door de overwinnaar. Zijn aanwezigheid was des te noodzakelijker omdat de eenheid van het land was bedreigd door ernstig plichtsverzuim dat plotseling aan het licht was gekomen en omdat als gevolg van een noodlottige verstandsverbijstering, de meeste gezagsdragers waren gevlucht en te veel overheden hun post hadden verlaten.

Op een moment waarop de bondgenoten waren uitgeteld door een verschrikkelijk onheil en de vijand was opgewonden door militaire successen zonder voorgaande, was het door de tegenspoed van mijn leger en van mijn volk te delen dat ik de onverbrekelijke eenheid van het vorstenhuis en van de Staat bevestigde en dat ik de belangen van het vaderland behoedde, welke ook de afloop van de oorlog zou zijn. De militaire eer, de waardigheid van de kroon en het belang van het land wezen in de dezelfde richting en maakten het mij onmogelijk om samen met de regering België te verlaten.

2. Ik heb het steeds als mijn opperste plicht beschouwd om met al mijn krachten bij te dragen tot het instandhouden van de nationale onafhankelijkheid. Net als al mijn voorgangers heb ik altijd de Grondwet nageleefd. In geen enkele omstandigheid heb ik overwogen om die te schenden. Ik neem een mogelijke herziening ervan slechts in overweging als het Belgische volk zijn wil daartoe vrij tot uitdrukking brengt.

De geruchten die de bedoeling hadden daarover twijfel te zaaien, zijn uit de lucht gegrepen en al wie ze heeft verspreid, heeft het vorstenhuis belasterd en een misdaad tegen België gepleegd.

Voor het overige heb ik me sedert 28 mei 1940 strikt gehouden aan mijn status van krijgsgevangene in handen van de vijand en heb ik geoordeeld dat het niet met de waardigheid van de kroon en met de belangen van het land strookte dat ik daar rechtstreeks  of onrechtstreeks ooit van afweek.

Die afzijdigheid op het politieke vlak belette niet dat ik op het humanitaire vlak tussenkwam ten voordele van personen, groepen of zelfs de hele bevolking.

De genadeverzoeken, de vrijlating of op zijn minst de verlichting van het lot van onze krijgsgevangenen, de bevoorrading van de bevolking, daarvoor heb ik voortdurend aandacht gehad. Op dat vlak zijn mijn inspanningen gedeeltelijk met succes bekroond. Inzake de wegvoeringen en de financiële lasten stuitte ik spijtig genoeg op de weigering om terug te komen op de getroffen beslissingen.

Men heeft mij vaak verweten dat ik tussenbeide was gekomen op het administratieve vlak. Ik verklaar dat ik helemaal niets te maken had noch met de keuze noch met het beleid van de secretarissen-generaal, wie ze ook waren. Wel eis ik het initiatief op van de oprichting van de O.T.A.D.

Hiermee is dus voldoende licht geworpen op het verleden, laten we het nu hebben over de opdrachten voor de toekomst.

 

1.       De verstandhouding tussen Vlamingen en Walen

 

De verstandhouding tussen Vlamingen en Walen zal de belangrijkste taak van de regering zijn. Het voortbestaan van een onafhankelijk België zal daarvan afhangen.

De historici zullen vaststellen dat België tussen 1914 en 1944 een vreselijke nationaliteitscrisis heeft meegemaakt.

Na een lange periode van ongelijkheden en onmiskenbare onrechtvaardigheden heeft ons Vlaamse volk, trots op zijn schitterend verleden en bewust van zijn mogelijkheden in de toekomst, besloten een einde te maken aan de pesterijen van een egoïstische en bekrompen leidende minderheid die weigerde zijn taal te spreken en deel te nemen aan het volksleven.

Het onbegrip van het parlement en de traagheid van de opeenvolgende regeringen om die rechtmatige verzuchtingen te voldoen, hebben de eisers verbitterd. Sommigen zijn ertoe gekomen om zich te willen afscheiden van de Walen en om België te vervloeken. Dit lokte een Waalse reactie uit en het zou gevaarlijk zijn de draagwijdte ervan te onderschatten.

Onder het voorwendsel van cultuur en van taal, hebben extremisten, al dan niet onder de bescherming van de bezetter, bewust gewerkt aan de vernietiging van de Belgische Staat – we hebben dat gezien en gehoord.

Anderzijds is onze publieke opinie – die slecht is voorgelicht en te gevoelig is voor de sentimentele verleidingen uit het buitenland – sedert 30 jaar geneigd om te geloven dat haar veiligheid in de eerste plaats afhangt van de gevoelens van genegenheid van het buitenland. Ze schijnt te vergeten dat het behoud van de nationale onafhankelijkheid voortvloeit uit en altijd en vooral zal voortvloeien uit de geografische ligging van het land, zijn natuurlijke rijkdommen, de werklust van zijn inwoners en hun wil om vrij te blijven.

De verkondiging van dit historisch vast gegeven moet het postulaat vormen dat elke internationale samenwerking voorafgaat en die laatste kan alleen worden opgevat op basis van een billijke wederkerigheid.

Omdat ze dezelfde belangen hadden, hebben Vlaanderen en Wallonië sedert heel lang een gemeenschappelijke lotsbestemming gehad en hebben ze een eenheid gevormd die ontembaar aan alle annexatiepogingen het hoofd heeft geboden. Nooit heeft hun eenheid een crisis beleefd die ook maar bij benadering zo erg was als die van de huidige generatie.

Ik hoop dat de hevigheid van de beroering die we nu beleven de ogen van de brave burgers heeft geopend voor sommige aspecten van de werkelijkheid waarvoor ze te weinig belangstelling hadden betoond. Ik hoop dat dit bij Vlamingen en Walen de wil zal hebben aangewakkerd om zich in een nieuw België opnieuw rond de nationale driekleur te scharen en dat zij, verenigd op volstrekt gelijke voet, België met eenzelfde liefde en ijver zullen dienen. Ik reken op het doorzicht van het Brusselse gemeentebestuur opdat de hoofdstad van het koninkrijk eindelijk zijn rol van taalkundig bindteken en bicultureel uitstralingscentrum zou spelen die het nationaal fatsoen hem voorschrijft.

 

2.       De sociale reorganisatie

 

Deze wereldoorlog is de geboorte van een nieuwe wereld. Goedschiks of kwaadschiks ontwikkelt zich, in de staten die zich beroepen op tradities van vrijheid en individualisme net als in de staten die hebben gekozen voor een autoritair regime, een economische, organieke en sociale revolutie zonder weerga die wezenlijk dezelfde is – zij het dat ze gebeurt onder verschillende vlaggen en door gebruik van uiteenlopende middelen.

Ook al kan men noch het kader noch het eindpunt van die verandering bepalen, toch heeft men het recht te verklaren dat een onomkeerbare stroom alle samenlevingsvormen naar een volkomen nieuwe toekomst meevoert.

Het komt erop aan zich niet uit te sloven om in duigen vallende normen te handhaven. Men moet zich vastberaden aan de onvermijdelijke ontwikkeling aanpassen en België de economische en sociale onderbouw bezorgen die het de nodige sterkte en doelmatigheid geeft opdat het zijn bevolking een waardige en bevredigende levensstandaard kan verschaffen. Die bevolking leeft bijeengepakt op een klein grondgebied en wordt bedreigd door een buitenlandse concurrentie die scherper en oneindig machtiger is dan weleer.

Het individualisme en het economisch liberalisme waarvoor de negentiende eeuw  de gouden tijd was, zullen willens nillens plaats ruimen voor een systeem dat meer gelijkheid nastreeft. Het zal de leiders toekomen erover te waken dat onze toekomstige sociale organisatie zal zijn doordrongen van en meer in overeenstemming zal zijn met de christelijke naastenliefde en de menselijke waardigheid.

Mijn rol van grondwettelijke vorst draagt me de taak niet op om een programma van verwezenlijkingen op te stellen noch om te kiezen voor of tegen een of andere leerstelling, maar ik zou in mijn opdracht tekortschieten als ik hier niet enkele beginselen ter overweging meegaf die alleen de uitdrukking zijn van de billijkheid.

Ik beschouw ruime sociale hervormingen als dringend, want de schandalige tegenstelling tussen de armoede waarmee de oorlog tot tweemaal toe de enen heeft overladen en de buitensporige winsten die de anderen zich hebben toegeëigend, stelt de onrechtvaardigheid in het licht van een egoïstisch en kwaadaardig regime, waaraan een einde moet komen.

Zodra het land is bevrijd, zullen de regeringen de plicht hebben het recht op arbeid en de plicht daartoe te bevestigen. Door de vaststelling van rechtvaardige lonen en de uitbreiding van de verplichte verzekeringen, moeten ze de arbeiders de waardigheid en de veiligheid bezorgen die zij in het verleden al te vaak hebben moeten ontberen.

De paritaire verbondenheid van de werkgevers- en werknemersorganisaties in beroepsgroeperingen, alsook een nauwgezette en billijke herschikking tussen arbeid en kapitaal zullen het mogelijk maken in de schoot van de ondernemingen de voorwaarden voor een gezonde samenwerking te vestigen. Door in de wereld van de arbeid een sfeer van stabiliteit en welzijn te scheppen, zal deze vooruitgang een geest van sociale solidariteit doen waaien die voor het land van even wezenlijk belang zal zijn als de verstandhouding en de gelijkheid tussen Vlamingen en Walen. Op het hogere niveau komt het de staat toe het algemeen belang te vertolken, de harmonische werking van het geheel van de grote beroepsgroepen te coördineren en de organisatie van de arbeid en van de sociale verhoudingen te controleren.

Het komt de Staat ook toe de economische ontwikkeling in een richting te leiden die meer is aangepast aan de natuurlijke rijkdommen van onze bodem en aan de mogelijkheden en de levensbehoeften van onze bevolking.

Het is van belang een beter evenwicht tot stand te brengen tussen de verschillende takken van de economische bedrijvigheid van het land door de landbouw, die zo belngrijk is voor ons onafhankelijk bestaan, de plaats te geven die haar toekomt.

Het is ten slotte aangewezen een billijkere verdeling van de verbruiksgoederen te verzekeren.

Arbeidsplicht, recht op arbeid en bescherming van de arbeid – herstel van de beroepseer en de beroepsbekwaamheid – nationale samenwerking en solidariteit – verstandige organisatie van de economie, ordelijke productie en consumptie – ziedaar de grondslagen van de onmiddellijke vernieuwing die een betere toekomst moet voorbereiden.

Ik reken erop dat de gezagsdragers die weg zullen inslaan en elke andere overweging dan het belang van het land en de sociale rechtvaardigheid opzij zullen schuiven.

Als ze dit zouden verzuimen, zou België tijden van gevaarlijke politieke onrust tegemoet gaan. 

 

3.       De politieke hervormingen

 

Zullen de wijzigingen aan de economische en sociale structuren een hervorming van de politieke instellingen teweegbrengen? Dat lijkt onvermijdelijk.

De gebreken van de oude manier van regeren en de ongehoorde incidentendie er in 1940 het sluitstuk van waren, hebben de ogen geopend van de meest behoudsgezinde kringen. Het land zal niet aanvaarden dat men zonder meer naar deze vooroorlogse dwalingen terugkeert. Het wenst dat de macht wordt uitgeoefend door onkreukbare en bekwame mensen, die ermee ophouden het algemeen belang in te vullen op de maat van de partijbelangen. Het wenst dat die mensen de nodige macht krijgen om met gezag en continuïteit de belangrijkste en dringende problemen op te lossen.

Een Raad van State had al lang moeten zijn opgericht. Koning Albert had de oprichting ervan al aanbevolen. Het land heeft nood aan wetten en verordeningen die behoorlijk zijn opgesteld. De burgers hebben het recht te worden beschermd tegen de mogelijke willekeur van een regering waarvan de machten uitgebreider zullen zijn.

De ministeriële verantwoordelijkheid moet ophouden een abstract beginsel te zijn dat nergens in een wetboek is vastgelegd. Ze moet een juridisch werkbaar begrip worden dat het mogelijk maakt de ministers te treffen wier zware fouten de belangen van de Staat hebben geschaad.

In welke mate en op welke wijze is het nodig het politiek statuut van het koninkrijk een nieuwe inhoud te geven?

Het komt het Belgische volk toe daarover te beslissen: zodra de omstandigheden het mogelijk maken, kan het zich daarover vrij uitspreken.

 

4.       De hervorming van de opvoeding

 

Ik pleit ervoor bijzondere aandacht te besteden aan de jeugd, die het lot van het België van morgen in handen houdt.

Indien het land in 1940 zijn geloof in zijn lotsbestemming tijdelijk heeft verloren, dan is dat te wijten aan het feit dat onze kinderen onvoldoende tot burgerzin worden opgevoed, wat een schuldig verzuim is. De toekomst van de natie vereist dat onze jeugd fysiek sterk is, doordrongen van edele verzuchtingen en grootmoedige idealen, gedreven door persoonlijke fierheid en sociale solidariteit, in hart en nieren en vastberaden patriottisch. Op dat vlak staan we nog bijna nergens.

 

5.       De militaire reorganisatie

 

Het einde van de vijandelijkheden zou een gezagscrisis kunnen veroorzaken die weleens de vorm van geweldplegingen kan aannemen. Bij gebrek aan een gewapende macht – die op een wettelijke basis is gevormd en bestaat uit manschappen wier vanderlandsliefde buiten kijf staat en die zijn gespeend van elke partijdige passie – zou het moeilijk zijn om die te beteugelen.

Om redenen van orde en rust in het binnenland en aanzien in het buitenland, beveel ik aan zo spoedig mogelijk weer een Belgisch leger op de been te brengen, bestaande uit sterke beroepsmilitairen, aangevuld met vrijwilligers, bij voorkeur mannen die in het vuur van de strijd hebben gestaan. Met het oog daarop zullen we de onmiddelijke repatriëring moeten eisen van onze officieren en soldaten die in Duitsland gevangen zijn en van al wie zich nog in het buitenland bevindt.

 

6.       De ordehandhaving en de sancties

 

Men moet vrezen dat het einde van de vijandelijkheden gepaard zal gaan met de ontketening van een publieke vergelding en het uitvechten van talrijke persoonlijke en groepsvetes. De voorlopige machthebbers zullen de uitingen van de publiek opinie binnen de legale perken moeten houden. Ze zullen evenwel ook de sancties moeten vorderen en toepassen in hoofde van de verantwoordelijken van aanslagen tegen de verdediging en de eenheid van het land.

De daders van deze misdaden tegen de natie hebebn hun verraad voldoende van de daken geschreeuwd, ja zelfs gevierd, opdat de noodzakelijke repressie alleen de werkelijke en grote schuldigen zou treffen.

Het past dat de straffen zonder uitstel worden uitgesproken en uitgevoerd, maar volgens de normale rechtspleging.

 

7.       De noodzakelijke genoegdoening

 

Er is geen enkele patriot die sommige toespraken is vergeten die ten overstaan van de hele wereld werden uitgesproken en waarin Belgische ministers zich hebben veroorloofd, in uitzonderlijke hachelijke omstandigheden, toen de vrijwaring van de nationale waardigheid gebood een uiterste voorzichtigheid aan de dag te leggen, ondoordacht de meest ernstige beschuldigingen te uiten ten overstaan van de houding van ons leger en het optreden van de legeraanvoerder.

Die beschuldigingen die in een eigenzinnige verblindheid de eer van onze soldaten en van hun opperbevelhebber besmeurden, hebben België een onberekenbare en moeilijk te herstellen schade toegebracht.

Men zou vergeefs in de geschiedenis een ander voorbeeld zoeken van een regering die haar vorst en de nationale vlag op zo’n manier en zo ongegrond met schande heeft overladen.

Het aanzien van de kroon en de eer van het land verzetten zich ertegen dat degenen die de redevoeringen hebben gehouden nog enig gezag uitoefenen in het bevrijde België zolang ze hun beslissing niet zullen hebben betreurd en plechtig en volledige genoegdoening zullen hebben gegeven. De natie zou noch begrijpen noch ermee instemmen dat het vorstenhuis in de uitoefening  van zijn taak mensen zou betrekken die datzelfde huis een belediging hebben aangedaan waarvan de wereld met ontsteltenis kennisnam

 

8.       De buitenlandse en koloniale politiek

 

Inzake het internationale statuut eis ik in naam van de grondwet dat België in zijn volledige onafhankelijkheid zou worden hersteld en dat het geen verbintenissen of akkoorden met andere staten zou aanvaarden, van welke aard ook, dan in volledige soevereiniteit en mits de noodzakelijke tegenprestaties.

Ik houd er ook aan dat geen afbreuk wordt gedaan aan de banden tussen de kolonie en het moederland.

Ik herriner er bovendien aan dat volgens de grondwet een verdrag geen enkele waarde heeft indien het niet de koninklijke handtekening draagt.

 

Leopold,

Koning der Belgen,

gevangene in het kasteel van Laken

 

Vrouwen De verkiezingen van 26 juni 1949 waren de eerste waaraan ook de vrouwen konden deelnemen en dat speelde duidelijk in het voordeel van de katholieken, die net niet de volstrekte meerderheid veroverden (105 op 212 Kamerzetels).
Internationaal

Het jaar 1947 vormt een scharnier in de internationale betrekkingen. Op 12 maart 1947 lanceert US-president zijn intentie om overal ter wereld het communisme te bestrijden. De Belgische KP, waarschijnlijk getipt over de nakende toespraak van Truman, stapt op 11 maart 1947 uit de regering Huysmans en houdt aldus de eer aan zichzelf. In andere Europese landen worden de regeringen 'gezuiverd' van communisten: op 4 mei in Frankrijk en op 13 mei in Italië (in Griekenland wordt de CP zelfs buiten de wet gesteld). Op 5 juni 1947 komt Marshall met zijn plan aanzetten voor de Europese wederopbouw. Begin juli wordt het afgewezen door de USSR, de latere Oostbloklanden en ook door Finland, dat daardoor tussen twee stoelen komt te zitten en voor decennia geïsoleerd raakt. De tweedeling van Europa is daarmee een feit.

Buiten Europa komt nog tijdens en kort na de oorlog de eerste fase van de dekolonisering op gang: Viëtnam (1945), Syrië (1946), India (1947), Pakistan (1947), Ceylon (1948), Indonesië (1949). Al deze landen zoeken hun evenwicht en moeten beslissen bij welke machtsblokken zij zullen aanleunen of dat zij een onafhankelijke koers zullen varen. 

Hubert Pierlot (°1883, +1963). Katholiek politicus, senator van 1926 tot 1946 en vanaf 1934 herhaaldelijk minister. Vooral bekend als leider van de Belgische regering te London tijdens WO II. Trok zich in 1946 uit het politieke leven terug, omdat hij het standpunt van de CVP inzake de koningskwestie niet kon bijtreden. Pierlot was van 1935 tot 1936 ook voorzitter van de Katholieke Unie en probeerde in die hoedanigheid de katholieke partij nieuw leven in te blazen. (Gerard, 1985: 31) DeVlaamse Kommunistische Partij was ondertussen wel afgeschaft. "De Vlaamse Kommunistische Partij was in de situatie van de nationale unie zinloos." Bert Van Hoorick, geciteerd in Turf, 1988: 51. Turf zegt nog over deze periode: "Terzelfdertijd compromiteerde de Vlaamse Beweging zich zodanig door collaboratie met de bezetter, dat vanuit de traditioneel democratische waarden flamingantisme en collaboratie synoniem worden."

 

Op economische vlak

Onmiddellijk na de bevrijding ontstaan er bevoorradingsproblemen zodat de industrie niet op volle capaciteit aan de slag kan. Toch vindt België op een relatief korte tijdspanne zijn economisch evenwicht terug. De bevoorrading van het land komt in handen van een speciaal opgericht Ministerie van Ravitaillering. De regering Van Acker brengt de productie van de steenkoolmijnen terug op gang en doet dat met draconische maatregelen: hogere lonen en allerlei sociale voordelen, georganiseerde immigratie van Poolse, Italiaanse en Joegoslavische arbeiders. 45.000 Duitse krijgsgevangenen worden verplicht in de 'putten' tewerkgesteld. Daardoor komt ook de staalnijverheid weer tot leven. In 1946 en 1947 was de werkloosheid bijna onbestaand.

aantal werklozen in België

1946 1947 1948 1949
36.700 35.600 80.900 174.000

Bron: NIS, geciteerd in Deleeck, 2001:201

Door de operatie Gutt krimpt het geldvolume en de geblokkeerde tegoeden komen slechts geleidelijk vrij. Door deze drastische maatregelen vermijdt België de dreigende hyperinflatie en  de economie raakt, eerder dan in andere landen, terug op dreef. Vanaf  1948 vaart de economie een rustiger koers.

De omroep

De Besluit-Wet van 14 september 1945 maakt een einde aan het bestaan van de DBNRO en regelt de statuten van het NIR/INR. Vanaf 1948 worden in het parlement een aantal pogingen ondernomen om het NIR-INR een nieuw statuut te geven. We gaan hier na welke rol de radiotaksen (het luistergeld) in de financiering van het hervormde instituut zouden spelen. Zo was er het katholieke wetsvoorstel van 17 februari 1948 houdende het statuut van de Radio-omroep, ingediend door G. Loos, e.a. (Kamer, 1947-1948, stuk 214). Dit voorstel voorzag in een toelage voor de BNRO, niet in een deel van de opbrengst van de radiotaksen. Op 30 november 1948 volgt een socialistisch-liberaal wetsvoorstel houdende het nieuw statuut van de Belgische Nationale Radio-omroep, ingediend door E. Rongvaux en J. Rey (Kamer, 1948-1949, stuk 38). Dit voorstel voorzag in een Fonds voor Radio-omroep dat o.m. gefinancierd zou worden "door 90% van de voorziene ontvangsten, opgeleverd door de jaarlijkse taxe die de Staat heft op de private radio-ontvangtoestellen". Qua financieringswijze sluit het voorstel nauw aan bij de omroepwet van 1930. Op 1 maart 1949 diende de socialistische minister van verkeer A. Van Acker een wetsontwerp in betreffende de Belgische Nationale radio-omroep (Kamer, 1948-1949, stuk 232). Wat de financiering betreft, voorziet dit ontwerp o.m. in "een jaarlijkse toelage waarvan het bedrag door de Minister, tot wiens bevoegdheid de radio-omroep behoort, bepaald wordt en die niet hoger mag belopen dan de opbrengst van de ontvangsten uit hoofde van de jaarlijkse taks welke door de Staat op de radio-ontvangtoestellen wordt geheven, na aftrek van de werkelijke kosten van invordering van de taks en van de politie van de aether." De verwijzing naar de opbrengst van de radiotaksen is m.a.w. een beperkende maatregel die als plafond dienst doet.

Televisie in voorbereiding

Vanaf 1948 worden voorbereidingen getroffen om de televisie in België te lanceren. De zgn. "lijnenslag" (625 lijnen naar Nederlands of 819 lijnen naar Frans voorbeeld) vertraagt de uiteindelijke lancering. Uiteindelijk wordt de "bi-standard" (beide lijnensystemen in één ontvangsttoestel) het dure Belgische compromis. Toch moet in deze lijnenslag de onverzettelijkheid erkend worden van de Vlaamse Jan Boon tegen de Franse hegemonie. Over deze lijnenslag zou de toenmalige minister, Paul Segers (CVP), vele jaren later het volgende vertellen: "Toen ik minister was in 1953 hebben wij de televisie in België ingevoerd en ik werd geroepen om de fameuze lijnenslag op te lossen, - de keuze tussen de 625 continentaal of de Franse 819. De Franssprekenden in het Parlement vreesden dat, indien wij de 625 kozen, zij gescheiden zouden worden van de Franse cultuur. De Vlamingen ervoeren dat Nederland en Duitsland de 625 lijnen toepasten en zij geloofden dat dit lijnenstelsel in de toekomst zou gelden. De Franse specialisten beweerden dat 819 een beter beeld gaf, en als argument brachten zij naar voren dat een weefsel van 819 draden fijner is en duidelijker dan een beeld van 625, maar zij vroegen zich niet af of het menselijk oog dat verschil wel ziet. Verder meenden velen dat de Belgen liever Franse staatstelevisie zouden bekijken dan de programma's van het Nederlandse zuilenstelsel. Jan Boon en Julien Kuypers, overtuigde Vlaamse cultuurmensen, waren voor de 625. Van Waalse zijde rees ook 'parlementair' verzet. Ik heb dan aan mijn secretaris-generaal Malderez gevraagd: is het niet mogelijk een toestel te bouwen dat aan de Vlamingen de 625 geeft en de francofonen laat kijken naar de 819? Dat werd onderzocht, maar zulk toestel bestond niet. Ik heb dan grote hulp gekregen van technici van het N.I.R., Hanssens en Mortiau. Zij bereidden de technische oplossing voor. De Belgische industrie vond het voorstel interessant. Dergelijke apparaten zouden iets duurder uitvallen, maar de eigen industrie werd zo beschermd tegen de invoer van Duitse en Franse toestellen, die dit systeem niet kenden. Zo is de uitwerking van mijn voorstel met de steun van de industrie aanvaard na een interpellatie in de Kamer vanwege francofonen. In die tijd was de hele opzet van de TV een echt waagstuk voor de Vlamingen. De Waalse televisie kreeg veel hulp uit Parijs. De Vlaamse TV moest alles zelf uit de grond stampen, heeft alles moeten leren, moest met beperkte middelen zichzelf behelpen. In die tijd is wonderbaar werk geleverd." (Florquin, 1981: 239-240)

Radio op perstoer

Wat voor de oorlog gewoon ondenkbaar was, wordt in de woelige na-oorlogse maanden een realiteit: de openbare radio betreedt het terrein van de pers. Die was immers, door collaboratie of het niet verschijnen, verzwakt uit de bezettingsperiode gekomen. Het NIR lanceert weekblad mét publiciteit. "De Radioweek", weekblad van het NIR, verschijnt voor de eerste keer op 15 april 1945. "Het eerste nummer werd gedrukt op zes bladzijden; het tweede op acht bladzijden en te koop gesteld tegen 3 frank. Vanaf 23 december 1945 kon worden overgegaan tot een noodzakelijk geworden uitbreiding van het programmablad; het werd in koperdiepdruk op 32 bladzijden uitgegeven en verkocht tegen 5 frank. Eerst dan konden abonnementen worden aanvaard. Op 29 september 1946 werden er nog 8 bladzijden aan toegevoegd, waarvan 4 bladzijden met een tweede kleur. De verkoopprijs werd verhoogd tot 7,50 frank en van die datum af werd betalende publiciteit opgenomen." (NIR, 1946: 22) 

Toch werd De Radioweek geen onverdeeld succes. In 1947 leed het weekblad een verlies van ca. 524.000 BEF. In 1948 liep het verlies op tot 573.000 BEF. In 1949 leed "Radioweek" een verlies van 155.000 BEF. Later werd ook "Micro-magazine" gelanceerd (1949?). In 1949 leed Micro-magazine 64.000 BEF verlies.

De toelagen aan het NIR-INR

 

in franken

1946

gewone toelage

122.800.000

1947

gewone toelage

136.740.000

1948

gewone toelage werelduitzendingen

154.655.000 18.000.000

1949

gewone toelage werelduitzendingen

152.760.000 18.000.000

Bron: jaarverslagen NIR-INR (1946-1949)

Hieronder geven wij de evolutie van de bruto-opbrengst, de inningskosten die de RTT inhield, de staatstoelage aan het NIR-INR en deze laatste uitgedrukt als een percentage van de netto-opbrengst.

jaar

bruto

inningskosten

netto

toelage NIR

%

1945

47.205.169

3.200.000

44.005.169

122.800.000

279

1946

63.129.016

3.200.000

59.929.016

122.800.000

205

1947

136.856.070

3.200.000

133.656.070

136.740.000

102

1948

183.319.677

6.400.000

176.919.677

125.000.000

71

1949

201.011.608

6.400.000

194.611.608

150.760.000

77

totaal

    631.521.540

22.400.000

609.121.540

658.100.000

108

Bronnen: Arch. KLG (stuk 19600629)  

 
Het jaarverslag 1948 van het NIR vermeldt 154.655.000 BEF als gewone toelage en 18.000.000 BEF als toelage voor de Werelduitzendingen. Het jaarverslag 1949 van het NIR vermeldt 152.760.000 BEF als gewone toelage en 18.000.000 BEF voor de Werelduitzendingen.
"Het belang dat de nationale omroep hechtte, of verplicht was te hechten, aan de eigen exploitatie van de functie 'gewestelijke omroep', bleek zeer nadrukkelijk begin 1947. Meer bepaald toen minister van verkeer Van Acker bij het aanvatten van zijn ambt, aankondigde voor zijn departement, omroep inbegrepen, een globale budgettaire vermindering te willen doorvoeren a rato van 10%. Niet alleen leverde hem dat een scherpe reactie op in de katholieke en liberale pers. Ook in de Kamer werd hij daarvoor zeer kritisch aangepakt (Kamer, Beknopt Verslag, 6 mei 1947: 501 e.v.). Van Acker wilde dat het jaarlijks NIR/INR budget niet werd overschreden en dat het personeelseffectief van de omroep met 10% verminderd werd. De Raad van Beheer van het NIR/INR betreurde dat in de eerste plaats omdat Van Acker hem daarover niet geconsulteerd had, maar vooral omdat die stringente maatregelen de kwaliteit van de uitbouw van de gewestelijke omroepen in het gedrang brachten. Uiteindelijk liep de hele zaak op niets uit behalve dat iedereen een beetje inleverde en dat enkel een aantal personen uit het lager (onderhouds)personeel afvloeiden." (Burgelman, 1990: 159) 

Het mag niet uitgesloten worden dat Van Acker, via zijn voorstellen tot sanering, de invloed van de communisten op de omroep wilde inperken.

Zoals de tabel hierboven aantoont, was er vanaf 1948 niet veel reden meer om nog op het NIR te bezuinigen: de opbrengsten uit radiotaksen klommen pijlsnel dank zij het herstel van het adressenbestand en nieuwe aangiften. 

De radiotaks

Wet van 24 juni 1947 houdende verhoging van de taxe (sic) op de radio-electrische ontvangposten (BSB 19470703). Regentsbesluit van 2 september 1947 betreffende de taks op de radio-electrische ontvangposten (BSB 19470920).

Aantal betalende vergunningen en vrijstellingen  Voor de jaren 1945-'49 beschikken we over betrouwbare cijfers uit het archief van KLG.

jaar

betalend

vrijgesteld

totaal

1945

615.736

20.120

635.856

1946

777.109

20.914

798.023

1947

1.058.108

22.618

1.080.726

1948

1.202.233

24.571

1.226.804

1949

1.367.748

26.833

1.394.581

De radiodistributie 

Een radiodistributienet, dat sedert mei 1940 niet meer actief was, hervatte in september 1945 zijn activiteit. Het radiodistributienet Merksem-Schoten dat op het einde van de oorlog zwaar beschadigd was, werd in de loop van 1946 hersteld en kwam in april 1947 terug in exploitatie. In 1946 komt in Schaarbeek een nieuw radiodistributienet tot stand. In 1948 komen in de gemeenten Sint-Joost-ten-Node en Evere nieuwe netten in dienst. Vanaf augustus 1949 wordt ook in Anderlecht radiodistributie aangeboden.

 

jaar

aantal netten in dienst

aantal abonnees

1945

26

42.610

1946

27

53.180

1947

28

62.100

1948

30

69.740

1949

31

79.516

Bron: jaarverslagen RTT 1945-1949

 

© Tessens - Debaets 2003