|
MEMORANDUM,
GESCHREVEN OM PERSOONLIJK
EN
VERTROUWELIJK AAN DE HEER PIERLOT TE WORDEN OVERHANDIGD,
VOLTOOID
OP 25 JANUARI 1944
We zijn in het zesde oorlogsjaar aanbeland. Niets laat
ons toe met zekerheid te stellen dat het staken van de vijandelijkheden in
Europa of de bevrijding van ons grondgebied dichtbij zijn. Maar een
zodanige wending van de gebeurtenissen, die een plotselinge wijziging van
het bezettingsregime in België met zich zou brengen, is in de toekomst
mogelijk.
Op 29 mei 1940 werd ik, op bevel van de Führer
Kanselier van het Reich, van Brugge naar het kasteel van Laken
overgebracht. Dat werd mijn verplichte verblijfplaats, ondanks mijn
uitdrukkelijke wens om het lot van mijn leger te delen.
Het is niet uitgesloten dat de Duitse overheid mij om
militaire of politieke redenen een nieuwe verblijfplaats oplegt en ditmaal
buiten het koninkrijk.
Ik vind het belangrijk dat het land, in de misschien
lange tussentijd tussen zijn bevrijding en mijn terugkeer uit
gevangenschap, in die beslissende dagen niet verstoken zou blijven van
adviezen van mijn kant over aangelegenheden van het allergrootste belang.
Dat is de reden waarom ik hier, ten gerieve van hen die
de macht tijdelijk zouden uitoefenen, mijn aanbevelingen op papier zet
betreffende het te volgen beleid in het hoger belang van de natie.
Om alle vooroordelen en twijfels weg te nemen, meen ik
dat het nuttig is om vooraf kort uiteen te zetten welke mijn houding is
geweest sedert mei 1940.
1. Vooreerst heb ik op 25 mei geoordeeld - en ik ben
inmiddels nooit van gedacht veranderd - dat het strijdig geweest ware met
het belang van het land als ik met de ministers naar het buitenland zou
zijn vertrokken.
Het leger in de steek laten voordat de strijd beëindigd
was, zou een militaire fout zijn geweest, want elke weerstand zou
ogenblikkelijk zijn gestaakt.
Vluchten op het moment dat de wapens werden neergelegd,
leek mij een daad die strijdig was met de eer van een legeraanvoerder.
Mijn aanwezigheid in het buitenland zonder militaire
macht van betekenis, zou een louter symbolische waarde hebben gehad.
Daartoe volstonden enkele ministers.
Maar, eens het grondgebied zich in de macht van de
aanvaller bevond, was het belangrijk dat het staatshoofd het land slechts
verliet, weggevoerd door de overwinnaar. Zijn aanwezigheid was des te
noodzakelijker omdat de eenheid van het land was bedreigd door ernstig
plichtsverzuim dat plotseling aan het licht was gekomen en omdat als
gevolg van een noodlottige verstandsverbijstering, de meeste gezagsdragers
waren gevlucht en te veel overheden hun post hadden verlaten.
Op een moment waarop de bondgenoten waren uitgeteld
door een verschrikkelijk onheil en de vijand was opgewonden door militaire
successen zonder voorgaande, was het door de tegenspoed van mijn leger en
van mijn volk te delen dat ik de onverbrekelijke eenheid van het
vorstenhuis en van de Staat bevestigde en dat ik de belangen van het
vaderland behoedde, welke ook de afloop van de oorlog zou zijn. De
militaire eer, de waardigheid van de kroon en het belang van het land
wezen in de dezelfde richting en maakten het mij onmogelijk om samen met
de regering België te verlaten.
2. Ik heb het steeds als mijn opperste plicht beschouwd
om met al mijn krachten bij te dragen tot het instandhouden van de
nationale onafhankelijkheid. Net als al mijn voorgangers heb ik altijd de
Grondwet nageleefd. In geen enkele omstandigheid heb ik overwogen om die
te schenden. Ik neem een mogelijke herziening ervan slechts in overweging
als het Belgische volk zijn wil daartoe vrij tot uitdrukking brengt.
De geruchten die de bedoeling hadden daarover twijfel
te zaaien, zijn uit de lucht gegrepen en al wie ze heeft verspreid, heeft
het vorstenhuis belasterd en een misdaad tegen België gepleegd.
Voor het overige heb ik me sedert 28 mei 1940 strikt
gehouden aan mijn status van krijgsgevangene in handen van de vijand en
heb ik geoordeeld dat het niet met de waardigheid van de kroon en met de
belangen van het land strookte dat ik daar rechtstreeks
of onrechtstreeks ooit van afweek.
Die afzijdigheid op het politieke vlak belette niet dat
ik op het humanitaire vlak tussenkwam ten voordele van personen, groepen
of zelfs de hele bevolking.
De genadeverzoeken, de vrijlating of op zijn minst de
verlichting van het lot van onze krijgsgevangenen, de bevoorrading van de
bevolking, daarvoor heb ik voortdurend aandacht gehad. Op dat vlak zijn
mijn inspanningen gedeeltelijk met succes bekroond. Inzake de wegvoeringen
en de financiële lasten stuitte ik spijtig genoeg op de weigering om
terug te komen op de getroffen beslissingen.
Men heeft mij vaak verweten dat ik tussenbeide was
gekomen op het administratieve vlak. Ik verklaar dat ik helemaal niets te
maken had noch met de keuze noch met het beleid van de
secretarissen-generaal, wie ze ook waren. Wel eis ik het initiatief op van
de oprichting van de O.T.A.D.
Hiermee is dus voldoende licht geworpen op het
verleden, laten we het nu hebben over de opdrachten voor de toekomst.
1.
De verstandhouding tussen Vlamingen en Walen
De verstandhouding tussen Vlamingen en Walen zal de
belangrijkste taak van de regering zijn. Het voortbestaan van een
onafhankelijk België zal daarvan afhangen.
De historici zullen vaststellen dat België tussen 1914
en 1944 een vreselijke nationaliteitscrisis heeft meegemaakt.
Na een lange periode van ongelijkheden en onmiskenbare
onrechtvaardigheden heeft ons Vlaamse volk, trots op zijn schitterend
verleden en bewust van zijn mogelijkheden in de toekomst, besloten een
einde te maken aan de pesterijen van een egoïstische en bekrompen
leidende minderheid die weigerde zijn taal te spreken en deel te nemen aan
het volksleven.
Het onbegrip van het parlement en de traagheid van de
opeenvolgende regeringen om die rechtmatige verzuchtingen te voldoen,
hebben de eisers verbitterd. Sommigen zijn ertoe gekomen om zich te willen
afscheiden van de Walen en om België te vervloeken. Dit lokte een Waalse
reactie uit en het zou gevaarlijk zijn de draagwijdte ervan te
onderschatten.
Onder het voorwendsel van cultuur en van taal, hebben
extremisten, al dan niet onder de bescherming van de bezetter, bewust
gewerkt aan de vernietiging van de Belgische Staat – we hebben dat
gezien en gehoord.
Anderzijds is onze publieke opinie – die slecht is
voorgelicht en te gevoelig is voor de sentimentele verleidingen uit het
buitenland – sedert 30 jaar geneigd om te geloven dat haar veiligheid in
de eerste plaats afhangt van de gevoelens van genegenheid van het
buitenland. Ze schijnt te vergeten dat het behoud van de nationale
onafhankelijkheid voortvloeit uit en altijd en vooral zal voortvloeien uit
de geografische ligging van het land, zijn natuurlijke rijkdommen, de
werklust van zijn inwoners en hun wil om vrij te blijven.
De verkondiging van dit historisch vast gegeven moet
het postulaat vormen dat elke internationale samenwerking voorafgaat en
die laatste kan alleen worden opgevat op basis van een billijke
wederkerigheid.
Omdat ze dezelfde belangen hadden, hebben Vlaanderen en
Wallonië sedert heel lang een gemeenschappelijke lotsbestemming gehad en
hebben ze een eenheid gevormd die ontembaar aan alle annexatiepogingen het
hoofd heeft geboden. Nooit heeft hun eenheid een crisis beleefd die ook
maar bij benadering zo erg was als die van de huidige generatie.
Ik hoop dat de hevigheid van de beroering die we nu
beleven de ogen van de brave burgers heeft geopend voor sommige aspecten
van de werkelijkheid waarvoor ze te weinig belangstelling hadden betoond.
Ik hoop dat dit bij Vlamingen en Walen de wil zal hebben aangewakkerd om
zich in een nieuw België opnieuw rond de nationale driekleur te scharen
en dat zij, verenigd op volstrekt gelijke voet, België met eenzelfde
liefde en ijver zullen dienen. Ik reken op het doorzicht van het Brusselse
gemeentebestuur opdat de hoofdstad van het koninkrijk eindelijk zijn rol
van taalkundig bindteken en bicultureel uitstralingscentrum zou spelen die
het nationaal fatsoen hem voorschrijft.
2.
De sociale reorganisatie
Deze wereldoorlog is de geboorte van een nieuwe wereld.
Goedschiks of kwaadschiks ontwikkelt zich, in de staten die zich beroepen
op tradities van vrijheid en individualisme net als in de staten die
hebben gekozen voor een autoritair regime, een economische, organieke en
sociale revolutie zonder weerga die wezenlijk dezelfde is – zij het dat
ze gebeurt onder verschillende vlaggen en door gebruik van uiteenlopende
middelen.
Ook al kan men noch het kader noch het eindpunt van die
verandering bepalen, toch heeft men het recht te verklaren dat een
onomkeerbare stroom alle samenlevingsvormen naar een volkomen nieuwe
toekomst meevoert.
Het komt erop aan zich niet uit te sloven om in duigen
vallende normen te handhaven. Men moet zich vastberaden aan de
onvermijdelijke ontwikkeling aanpassen en België de economische en
sociale onderbouw bezorgen die het de nodige sterkte en doelmatigheid
geeft opdat het zijn bevolking een waardige en bevredigende
levensstandaard kan verschaffen. Die bevolking leeft bijeengepakt op een
klein grondgebied en wordt bedreigd door een buitenlandse concurrentie die
scherper en oneindig machtiger is dan weleer.
Het individualisme en het economisch liberalisme
waarvoor de negentiende eeuw de
gouden tijd was, zullen willens nillens plaats ruimen voor een systeem dat
meer gelijkheid nastreeft. Het zal de leiders toekomen erover te waken dat
onze toekomstige sociale organisatie zal zijn doordrongen van en meer in
overeenstemming zal zijn met de christelijke naastenliefde en de
menselijke waardigheid.
Mijn rol van grondwettelijke vorst draagt me de taak
niet op om een programma van verwezenlijkingen op te stellen noch om te
kiezen voor of tegen een of andere leerstelling, maar ik zou in mijn
opdracht tekortschieten als ik hier niet enkele beginselen ter overweging
meegaf die alleen de uitdrukking zijn van de billijkheid.
Ik beschouw ruime sociale hervormingen als dringend,
want de schandalige tegenstelling tussen de armoede waarmee de oorlog tot
tweemaal toe de enen heeft overladen en de buitensporige winsten die de
anderen zich hebben toegeëigend, stelt de onrechtvaardigheid in het licht
van een egoïstisch en kwaadaardig regime, waaraan een einde moet komen.
Zodra het land is bevrijd, zullen de regeringen de
plicht hebben het recht op arbeid en de plicht daartoe te bevestigen. Door
de vaststelling van rechtvaardige lonen en de uitbreiding van de
verplichte verzekeringen, moeten ze de arbeiders de waardigheid en de
veiligheid bezorgen die zij in het verleden al te vaak hebben moeten
ontberen.
De paritaire verbondenheid van de werkgevers- en
werknemersorganisaties in beroepsgroeperingen, alsook een nauwgezette en
billijke herschikking tussen arbeid en kapitaal zullen het mogelijk maken
in de schoot van de ondernemingen de voorwaarden voor een gezonde
samenwerking te vestigen. Door in de wereld van de arbeid een sfeer van
stabiliteit en welzijn te scheppen, zal deze vooruitgang een geest van
sociale solidariteit doen waaien die voor het land van even wezenlijk
belang zal zijn als de verstandhouding en de gelijkheid tussen Vlamingen
en Walen. Op het hogere niveau komt het de staat toe het algemeen belang
te vertolken, de harmonische werking van het geheel van de grote
beroepsgroepen te coördineren en de organisatie van de arbeid en van de
sociale verhoudingen te controleren.
Het komt de Staat ook toe de economische ontwikkeling
in een richting te leiden die meer is aangepast aan de natuurlijke
rijkdommen van onze bodem en aan de mogelijkheden en de levensbehoeften
van onze bevolking.
Het is van belang een beter evenwicht tot stand te
brengen tussen de verschillende takken van de economische bedrijvigheid
van het land door de landbouw, die zo belngrijk is voor ons onafhankelijk
bestaan, de plaats te geven die haar toekomt.
Het is ten slotte aangewezen een billijkere verdeling
van de verbruiksgoederen te verzekeren.
Arbeidsplicht, recht op arbeid en bescherming van de
arbeid – herstel van de beroepseer en de beroepsbekwaamheid –
nationale samenwerking en solidariteit – verstandige organisatie van de
economie, ordelijke productie en consumptie – ziedaar de grondslagen van
de onmiddellijke vernieuwing die een betere toekomst moet voorbereiden.
Ik reken erop dat de gezagsdragers die weg zullen
inslaan en elke andere overweging dan het belang van het land en de
sociale rechtvaardigheid opzij zullen schuiven.
Als ze dit zouden verzuimen, zou België tijden van
gevaarlijke politieke onrust tegemoet gaan.
3.
De politieke hervormingen
Zullen de wijzigingen aan de economische en sociale
structuren een hervorming van de politieke instellingen teweegbrengen? Dat
lijkt onvermijdelijk.
De gebreken van de oude manier van regeren en de
ongehoorde incidentendie er in 1940 het sluitstuk van waren, hebben de
ogen geopend van de meest behoudsgezinde kringen. Het land zal niet
aanvaarden dat men zonder meer naar deze vooroorlogse dwalingen
terugkeert. Het wenst dat de macht wordt uitgeoefend door onkreukbare en
bekwame mensen, die ermee ophouden het algemeen belang in te vullen op de
maat van de partijbelangen. Het wenst dat die mensen de nodige macht
krijgen om met gezag en continuïteit de belangrijkste en dringende
problemen op te lossen.
Een Raad van State had al lang moeten zijn opgericht.
Koning Albert had de oprichting ervan al aanbevolen. Het land heeft nood
aan wetten en verordeningen die behoorlijk zijn opgesteld. De burgers
hebben het recht te worden beschermd tegen de mogelijke willekeur van een
regering waarvan de machten uitgebreider zullen zijn.
De ministeriële verantwoordelijkheid moet ophouden een
abstract beginsel te zijn dat nergens in een wetboek is vastgelegd. Ze
moet een juridisch werkbaar begrip worden dat het mogelijk maakt de
ministers te treffen wier zware fouten de belangen van de Staat hebben
geschaad.
In welke mate en op welke wijze is het nodig het
politiek statuut van het koninkrijk een nieuwe inhoud te geven?
Het komt het Belgische volk toe daarover te beslissen:
zodra de omstandigheden het mogelijk maken, kan het zich daarover vrij
uitspreken.
4.
De hervorming van de opvoeding
Ik pleit ervoor bijzondere aandacht te besteden aan de
jeugd, die het lot van het België van morgen in handen houdt.
Indien het land in 1940 zijn geloof in zijn
lotsbestemming tijdelijk heeft verloren, dan is dat te wijten aan het feit
dat onze kinderen onvoldoende tot burgerzin worden opgevoed, wat een
schuldig verzuim is. De toekomst van de natie vereist dat onze jeugd
fysiek sterk is, doordrongen van edele verzuchtingen en grootmoedige
idealen, gedreven door persoonlijke fierheid en sociale solidariteit, in
hart en nieren en vastberaden patriottisch. Op dat vlak staan we nog bijna
nergens.
5.
De militaire reorganisatie
Het einde van de vijandelijkheden zou een gezagscrisis
kunnen veroorzaken die weleens de vorm van geweldplegingen kan aannemen.
Bij gebrek aan een gewapende macht – die op een wettelijke basis is
gevormd en bestaat uit manschappen wier vanderlandsliefde buiten kijf
staat en die zijn gespeend van elke partijdige passie – zou het moeilijk
zijn om die te beteugelen.
Om redenen van orde en rust in het binnenland en
aanzien in het buitenland, beveel ik aan zo spoedig mogelijk weer een
Belgisch leger op de been te brengen, bestaande uit sterke
beroepsmilitairen, aangevuld met vrijwilligers, bij voorkeur mannen die in
het vuur van de strijd hebben gestaan. Met het oog daarop zullen we de
onmiddelijke repatriëring moeten eisen van onze officieren en soldaten
die in Duitsland gevangen zijn en van al wie zich nog in het buitenland
bevindt.
6.
De ordehandhaving en de sancties
Men moet vrezen dat het einde van de vijandelijkheden
gepaard zal gaan met de ontketening van een publieke vergelding en het
uitvechten van talrijke persoonlijke en groepsvetes. De voorlopige
machthebbers zullen de uitingen van de publiek opinie binnen de legale
perken moeten houden. Ze zullen evenwel ook de sancties moeten vorderen en
toepassen in hoofde van de verantwoordelijken van aanslagen tegen de
verdediging en de eenheid van het land.
De daders van deze misdaden tegen de natie hebebn hun
verraad voldoende van de daken geschreeuwd, ja zelfs gevierd, opdat de
noodzakelijke repressie alleen de werkelijke en grote schuldigen zou
treffen.
Het past dat de straffen zonder uitstel worden
uitgesproken en uitgevoerd, maar volgens de normale rechtspleging.
7.
De noodzakelijke genoegdoening
Er is geen enkele patriot die sommige toespraken is
vergeten die ten overstaan van de hele wereld werden uitgesproken en
waarin Belgische ministers zich hebben veroorloofd, in uitzonderlijke
hachelijke omstandigheden, toen de vrijwaring van de nationale waardigheid
gebood een uiterste voorzichtigheid aan de dag te leggen, ondoordacht de
meest ernstige beschuldigingen te uiten ten overstaan van de houding van
ons leger en het optreden van de legeraanvoerder.
Die beschuldigingen die in een eigenzinnige
verblindheid de eer van onze soldaten en van hun opperbevelhebber
besmeurden, hebben België een onberekenbare en moeilijk te herstellen
schade toegebracht.
Men zou vergeefs in de geschiedenis een ander voorbeeld
zoeken van een regering die haar vorst en de nationale vlag op zo’n
manier en zo ongegrond met schande heeft overladen.
Het aanzien van de kroon en de eer van het land
verzetten zich ertegen dat degenen die de redevoeringen hebben gehouden
nog enig gezag uitoefenen in het bevrijde België zolang ze hun beslissing
niet zullen hebben betreurd en plechtig en volledige genoegdoening zullen
hebben gegeven. De natie zou noch begrijpen noch ermee instemmen dat het
vorstenhuis in de uitoefening van
zijn taak mensen zou betrekken die datzelfde huis een belediging hebben
aangedaan waarvan de wereld met ontsteltenis kennisnam
8.
De buitenlandse en koloniale politiek
Inzake het internationale statuut eis ik in naam van de
grondwet dat België in zijn volledige onafhankelijkheid zou worden
hersteld en dat het geen verbintenissen of akkoorden met andere staten zou
aanvaarden, van welke aard ook, dan in volledige soevereiniteit en mits de
noodzakelijke tegenprestaties.
Ik houd er ook aan dat geen afbreuk wordt gedaan aan de
banden tussen de kolonie en het moederland.
Ik herriner er bovendien aan dat volgens de grondwet
een verdrag geen enkele waarde heeft indien het niet de koninklijke
handtekening draagt.
Leopold,
Koning der Belgen,
gevangene in het kasteel van Laken
|