1940-1944

De oorlogsjaren - Een vrijgeleide voor minister Delfosse - De regering in ballingschap - 'Radio War': De uitzendingen vanuit Londen - Een krachtige kortegolfzender in Leopoldstad - De Mission Samoyède - De aanslag op het adressenbestand van de dienst radiotaksen - De bevrijding in 1944

De Duitse inval 

en 

de publieke opinie

Op 10 mei 1940 valt het Duitse leger België binnen. Na de 18-daagse veldtocht capituleert het Belgische leger, aangevoerd door koning Leopold III. De koning weigert om samen met de regering Pierlot het land te verlaten. Er is veel te doen geweest rond dat ene zinnetje in het protocol bij de capitulatie-overeenkomst: "La Résidence du Château de Laeken, près de Bruxelles est mise à la disposition de Sa Majesté le Roi des Belges et de sa famille."* De anti-Leopoldisten zullen na de oorlog aanvoeren dat daarmee bewezen is dat Leopold niet als krijgsgevangene kon beschouwd worden en dus een (ongrondwettelijke) politieke rol vervulde in het door de Duitsers bezette België. De Jonghe (1972) wijdt er zelfs een honderdtal bladzijden aan.

In 1941 huwt Leopold met Liliane Baels, een burgermeisje met teveel allure.  Beide gebeurtenissen en de ontmoeting van Leopold en Hitler (19 november 1940) liggen aan de basis van de latere koningskwestie, die het land in rep en roer zal zetten. **  

Om de oorlogsperiode te begrijpen moet men inzien dat, globaal beschouwd, de Belgische bevolking tijdens de eerste bezettingsmaanden een bereidwillige houding aannam tegenover de bezetter, die een beleid  'met fluwelen handschoenen' voerde. De koning vormde geen uitzondering op die regel. Daarbij mag men ook niet vergeten dat reeds voor de oorlog een sterke stroming pro nieuwe orde bestond en dat het politiek establishment werd verguisd. 

Zelfs de pers stond vóór de oorlog al positief tegenover de Duitse standpunten: 'In ruil voor advertenties en 'faciliteiten' inzake berichtgeving brachten een aantal kranten 'begrip' op voor wat zich in Duitsland afspeelde en beperkten ze hun berichtgeving nogal vaak tot de grote sociale verwezenlijkingen van het regime.' (Van de Vijvere, 1990: 74).

De latere koningskwestie mag niet los worden gezien van de recuperatie van de macht door diezelfde politieke elite: het aanduiden van een zondebok om de eigen fouten te verdoezelen, is nu eenmaal een bekend procédé. Leopold bood zich als het ware aan om die rol te spelen.

Vanaf 1941 slaat de publieke opinie om in terughoudendheid en vanaf 1942-'43 wordt ze vijandig. De resultaten op de slagvelden speelden hierbij een doorslaggevende rol.***

*de Launay (1977: 59)

**Raskin (1998: 12) meent dat het huwelijk de diepe oorzaak is voor de latere Koningskwestie. Deze analyse lijkt mij te ééndimensionaal.

***Zie ook Van de Vijver (1990:96)

Het NIR-INR op de vlucht.

 

'Zender Brussel'

en

'Radio Bruxelles'

De medewerkers van het NIR-INR vluchten naar Frankrijk. Ook daar heerst paniek en zitten de wegen overvol met vluchtelingen (Amouroux, 1961: 9). Zij nemen ook een aantal essentiële onderdelen van de zendapparatuur (zenders Veltem) mee. Minister Antoine Delfosse (katholiek, ACW-strekking) onderneemt een merkwaardige reis. Achtergebleven in bezet België, krijgt Delfosse van von Falkenhausen een 'Ausweis' om naar Frankrijk te reizen en daar het personeel van de NIR-INR en het zendmateriaal te gaan terughalen. Op 2 juli 1940 vangt de terugreis van de NIR-karavaan aan onder leiding van de minister (Boon G., 1988: 90). Jan Boon vergezelt de karavaan, Theo Fleischman blijft achter in Frankrijk Volgens Greta Boon, dochter van Jan Boon, gaat haar vader dadelijk in het verzet (Boon, 1988). Maurice De Wilde is echter formeel: Jan Boon heeft eerst getracht toch in dienst te komen van het onder de bezetter opererende NIR (De Wilde, 1990: 49).

Op 31 juli 1940 houdt het NIR/INR op te bestaan en dat bij verordening van de Militaire Bevelhebber. Van 1940 tot de bevrijding in september 1944 huizen in het omroepgebouw aan het Flageyplein "Zender Brussel" en "Radio Bruxelles", onder toezicht van de Duitse bezetter. Bijna alle ex-NIR-medewerkers (net voor de oorlog waren er 636 personen in dienst) treden om den brode in dienst van de radiostations. Zij waren van mening dat zulks met instemming van minister Delfosse gebeurde. Na de oorlog volgt echter de epuratie, ook voor deze medewerkers.

Het optreden van Delfosse stond tijdens en na de oorlog meermaals ter discussie. Zo werd zijn achterblijven in België aanzien als een verregaande verstandhouding met de bezetter. Maurice De Wilde (1990: 56) neemt op een haar na niet het woord 'collaboratie' in de mond. Wanneer Delfosse op 20 augustus 1942 in London aankomt (via welke vluchtroute?), neemt hij het ministerie van justitie en voorlichting op zich en is hij het brein achter de Besluitwet van 17 december 1942, die voor zelfs de lichtste vormen van collaboratie, de doodstraf voorziet. Mede door deze wet zou de repressie na de oorlog volledig ontsporen. Huyse schrijft onomwonden dat de oproep van Delfosse om de collaboratie hard aan te pakken, moest dienen om zijn eigen verleden wit te wassen (Huyse, 1991: 64-67). De radio-omroep werd gedurende de gehele oorlog gewoon verder gefinancierd door staatstoelagen. Daarover diende de Propaganda Abteilung zich dus geen zorgen over te maken (Boon G., 1988: 225). Overigens kaderde het behoud van de administratieve inrichting van de staat in de globale politiek van de bezetter.

De regering te London

In maart 1942 komt Fleischman (van joodse afkomst) vanuit Frankrijk aan te Londen en neemt onmiddellijk zijn functies van directeur-generaal van het INR weer op (Boon G., 1988: 93).

Bij Besluit-Wet van 13 oktober 1942 stelt de Ministerraad te Londen de Dienst van de Belgische Nationale Radio-Omroep (DBNRO) in. De tekst van deze Besluitwet werd via een geparachuteerde koerier van Londen naar Brussel overgebracht. Volgens Greta Boon begon hiermee de eigenlijke wederopbouw van de Belgische radio-omroep. In december 1942 komt minister Delfosse via Jacques Bassyn, zijn kabinetschef, in contact met Jan Boon. Boon krijgt opdracht onderzoek te doen naar een nieuw net van radiozenders (Boon G., 1988: 131). In samenwerking met de BBC kunnen Franse en Vlaamse uitzendingen starten vanuit Londen. De eerste gaat van start op 9 februari 1943. Vier maal per week gedurende 15 minuten konden er berichten worden doorgegeven. Vanaf 29 maart 1943 werd er dagelijks gedurende 30 minuten uitgezonden. Op 16 mei 1943 wordt in Leopoldstad (Belgisch Congo) een krachtige kortegolf-zender in dienst genomen. In het begin werd er slechts 8 uur en 15 minuten per dag uitgezonden. Vanaf 31 oktober 1943 werd er 13,5 uur uitgezonden en vanaf 4 juni 1944 werd het aantal uitzenduren opgedreven tot 18 uur. (Guery, 1949: 142-143).

Radiobeluistering bestraft en inbeslagname van radiotoestellen

Op 2 april 1943 vaardigt de Duitse bezetter in België een verordening uit die het luisteren naar vreemde zenders strafbaar maakt. Bij betrapping werd ook het radiotoestel verbeurd verklaard (Boon G., 1988: 135). Die verordening is veel minder zwaar dan in Nederland, waar Rauter, hoofd van het Generalkommissariat für das Sicherheitswesen, op 13 mei 1943 een beschikking neemt waarbij alle radiotoestellen verbeurd verklaard worden. In Nederland moeten de radio's worden ingeleverd. De verzetskrant 'Trouw' raadt de bevolking af dit te doen: "Zo zij ons aller houding. Niemand levere zijn toestel in. Men wachte tot het e.v. gehaald wordt. Het advies 'een oud toestel inleveren' volge men niet. We ontzeggen den vijand het recht het verbeurd verklaren op grond van art. 46 van het L.O.R., dat zegt: 'De bijzondere eigendom kan niet worden verbeurd verklaard'. Indien een oud toestel in uw bezit is, stel het dan op, zoodat bij den roof een waardeloos ding den bezetter in handen valt. Verberg Uw goede toestel zoo, dat ge, zoo mogelijk, kunt blijven luisteren, en zorghet bij den omslag direct onder uw bereik te hebben. Aanvaard de leuze: geen enkel toestel in 's vijands hand." (uit: Trouw, 1ste jaargang, nummer 6, pagina 2, 3 juni 1943).

Later, op 20 oktober 1943, toen was gebleken dat zo'n 200.000 radiotoestellen niet waren ingeleverd, zal Rauter de maatregelen nog verstrengen en aankondigen dat op het niet-inleveren van een radiotoestel, verbeurdverklaring van het gehele huisraad zal volgen. (Hiltermann, 1962: 101 en 109; van Beek, G.H., 1983: 16).

Bij inlevering was amnestie beloofd aan diegenen die geen gevolg hadden gegeven aan de eerste verordening. 'Trouw' bleef bij het bekende standpunt en interpreteerde de maatregel van 20 oktober als een zwakte van de bezetter: "Het betekent echter dat de Duitschers vinden dat er veel te weinig radiotoestellen zijn ingeleverd en dat zij geen kans zien ze te vinden. Niemand moet er dus intrappen. Als de Duitschers het zonder deze amnestie konden, deden ze dat en dan zouden zij de middelen om de radiotoestellen te vinden, waarover ze nu opscheppen, gebruiken en de eigenaars straffen." (uit: 'Trouw', 1ste jaargang, nummer 12, pagina 5,  oktober 1943).

Maar de bedreiging heeft wel degelijk effect want een maand later moet 'Trouw' berichten: "Het radio-pardon, gepaard aan de bedreiging van inbeslagname van het meubilair, indien men nu nog zijn toestel niet inleverde, heeft tot het onverkwikkelijke tooneel geleid, dat de radiotoestellen bij massa's zijn ingeleverd. Zoo hadden zelfs de Duitschers het niet durven hopen. In lange rijen stonden op sommige plaatsen geïntimideerden met hun toestelletje voor de inleveringsplaatsen. De Duitscher kwam handen en tijd te kort om ze aan te pakken. Sommigen werden daarom, teruggestuurd en moesten den anderen dag den verderenden gang nog eens maken en de inleveringstermijn werd met twee dagen verlengd. Dit alles is helaas geen Duitsche propaganda, maar in de schoenen gezakte moed der Nederlanders." (uit: 'Trouw', 1ste jaargang, nummer 13, pagina 6, midden november 1943).

Navraag bij de heer van Tulder van het NAA-omroepmuseum te Hilversum, leerde dat er een gigantische operatie op gang kwam waarbij 1.157.762 radio-ontvangers werden ingeleverd. PTTers, agenten van politie, NSBers en Duitsers mochten in totaal 55.000 toestellen houden. De enorme lading ingeleverde toestellen werd gestockeerd door de Nederlandse PTT. Daarvan werden de 250.000 beste naar Duitsland afgevoerd. (Visser, 1968: 144)  

Om de opsporing van de nog in omloop zijnde toestellen te organiseren, wilde de bezetter een beroep doen op het kaartsysteem van luisterars bij de Dienst Inning Luisterbijdragen (DIL). Dat kaartsysteem was echter alfabetisch gerangschikt en de Duitsers wilden een geografische indeling hebben. De hersortering op plaats en wijk werd echter door de medewerkers van de DIL moedwillig in het honderd gestuurd. Na de gehele bevrijding, die voor Nederland schrijnend laat (5 mei 1945) een feit werd, bekwamen 100.000 eigenaars hun radiotoestel terug.

Met de radio-inlevering kunnen de Duitsers weliswaar de beluistering van de BBC indijken, maar ook de eigen propaganda via de radio raakt erdoor zo goed als uitgeschakeld. Hier wordt een keuze gemaakt. Het zal duidelijk zijn dat de communicatie vanuit Londen, via geheime boodschappen, met het Nederlandse verzet sterk bemoeilijkt werd. In hoeverre deze omstandigheid een rol heeft gespeeld bij het mislukken van de geallieerde luchtlanding bij Arnhem (17 tot 26 september 1944) en de late bevrijding van Nederland, is niet geheel duidelijk maar toch voor de hand liggend.

Radiobezit verboden

In België wordt op 4 april 1944 door de Militair-Bevelhebber een verordening uitgevaardigd waarbij in Groot-Antwerpen, het arrondissement Antwerpen, de gemeenten Lier, Duffel, Heindonk, Waelhem en Klein-Willebroek het in bezit houden van radio-toestellen verboden wordt. Het verbod heeft echter geen betrekking op de radiodistributie. De radiodistributie zendt immers alleen toegelaten, gecensureerde programma's uit. De inlevering van de radiotoestellen moet gebeuren voor 18 april 1944. Aan elk afgeleverd toestel moet een kaartje, groot 10 x 15 cm, worden bevestigd met melding van het fabrikaat, het model, nummer en desnoods de koopprijs van het toestel, alsook de naam, het beroep en het adres van de eigenaar. De straffen op niet-inlevering gaan van geldboeten tot gevangenis, evenwel zonder bepaling van de strafmaat. Duitsers en allerhande collaboratiebewegingen zijn vrijgesteld van deze maatregel.*

De waarnemend burgemeester, J. Timmermans, duidt op 14 april 1944 de schoolgebouwen aan waar de radiotoestellen moeten worden afgeleverd.

Vermelden we nog dat de Militärverwaltungsoberrat te Antwerpen, Dr Leider, de inbeslagname van radiotoestellen ook als respressieve maatregel hanteert. Zo moeten in oktober 1943 100 radiotoestellen worden ingeleverd na het doorknippen van telefoondraden door saboteurs. Na een aanslag op een schildwacht van de Vlaamse Wacht, op 12 juli 1942, moeten 500 radiotoestellen uit het stadsgedeelte waar de aanslag werd gepleegd, worden ingeleverd.** 

Ook te Eeklo (zie verder) zou een verordeing tot inlevering zijn uitgevaardigd. Opzoekingen in het stadsarchief van Eeklo leverden echter niets op. Navraag bij ouderen leerden evenwel dat ook in Eeklo alle radiotoestellen moesten worden ingeleverd***.

*Stadsarchief Antwerpen, Dossier van de Veiligheid, ref. MA 4909, Aangeplakte Bekendmaking van 11 april 1944, ref. MA 58.081, afleveringsborderellen. 
**Stadsarchief Antwerpen, Politiedossier, ref. MA 41.728/178

*Brief dd. 1 december 2001 van de 

Stadsarchivaris van Eeklo, gericht aan de auteur.

Fichier van de radiotaks gesaboteerd

Omdat het Belgische verzet in 1943 al vreesde dat de Duitsers ook in België zouden overgaan tot de inbeslagname van de radiotoestellen, werd besloten tot het vernietigen van de fichier van de radiotaksen. Dit zou de opsporing van radiobezitters moeten bemoeilijken. De sabotage was in handen van de verzetsgroep Samoyède, die hiervoor samenwerkte met het Armée de la Libération (A.L.).

"In Antwerpen en in Eeklo zouden de Duitsers al begonnen zijn met de inbeslagneming. Om deze actie te beletten, vernietigde een groep de fiches van de radiotaksen, de inventaris van de ontvangsttoestellen. Londen was hiervan op de hoogte en een bombardement in het kwartier had niets opgeleverd. Het was echter niet voldoende het gebouw in brand te steken om de zinkplaatjes te doen verdwijnen. Eerst  saboteerde de heer Bas, directeur bij de Regie van Telegraaf en Telefonie, de adresseermachine. Dit bleek evenwel niet erg doeltreffend. Samoyède, niet in staat om een dergelijke actie tot een goed einde te brengen, deed een beroep op de heer Clerdent, die een ploeg saboteurs van het bevrijdingsleger naar Brussel zond. Intussen waren, met hulp van de huisbewaarder en de heer Bas, grote mandflessen zwavelzuur in het gebouw gebracht. Het zwavelzuur werd op de plaatjes gegoten. Ze werden voor 95% vernietigd. Men moest het enkel nog in brand steken en aan de brandweer van Brussel vragen niet te snel uit te rukken..." (uit Leve de radio, 1980: 82, geciteerd in Boon, 1988: 141-142)

Clerdent, vroeger lid van de raad van beheer van het NIR en nu een van de drie leden van de raad van beheer van de BNRO in bezet gebied, was hoofd van het bevrijdingsleger. Hij woonde in Luik. Een Luikse ploeg van het bevrijdingsleger zou in oktober 1943 en later in maart inderdaad de fiches bij de radiocommunicatiedienst van het ministerie van communicatie, 221 Koninginnelaan, vernietigen. Leden van de groep overmeesterden op 16 oktober 1943 's avonds de concierge (die echter medeplichtig was) en staken de documenten in brand. Daar de sabotage niet helemaal gelukt was, werd in maart 1944 een nieuwe aanslag gepleegd." (Boon G., 1988: 142)

Strubbe (1992: 377) vertelt het verhaal toch enigszins anders. In zijn versie komt de tweede aanslag helemaal niet voor: "Londen gaf aan Samoyède de opdracht de steekkaarten met de namen en adressen van de bezitters van een radiotoestel te vernietigen. Dit adressenbestand werd in een gebouw van de RTT bijgehouden voor het innen van de radiobelasting. Daar waren al Duitsers verschenen. De vrees bestond dat die documentatie gebruikt zou worden om de radio's te doen inleveren. Jan Boon bracht François Landrain in contact met Ludovic Bas, onderdirecteur bij de RTT. Op 23 oktober 1943 werd zonder resultaat geprobeerd die documentatie in brand te steken. Het personeel vernielde daarna zelf 200.000 steekkaarten en maakte de adresseermachine onklaar. Ondertussen bleek dat de bezetter geen belangstelling meer had voor dat bestand. Uiteindelijk werd het gebouw toevallig volledig vernield door een slecht uitgevoerd bombardement op 10 mei 1944, toen in die omgeving meer dan honderd huizen werden verwoest en tweeënveertig doden vielen."

Met de hulp van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij kwamen wij de getuigenis van verzetsman François Landrain op het spoor. "Par l'entremise de M. Boon, un contact fut mis sur pied entre le chef de service de sabotage et l'A.L., M. Bodart et M. Bas, sous-directeur à la Régie de T.T., sans découvrir celui-ci. Des faux papiers que j'avais remis à M. Bodart le faisaient passer pour un fonctionnaire du service des bâtiments de l'Avenue de la Reine. M. Bodart pu se rendre ainsi compte de la disposition exacte des lieux. Le coup de main se fit fin octobre - début novembre 1943. (...) Le résultat ne fut que partiellement atteint. Nous n'avions pas reçu de détonnateurs, il semble qu'il n'y en avait pas dans les containers parachutés, et ceux qu'avait employé l'équipe de l'A.L. n'avaient pas donné satisfaction. Les employés de la régie des T.T., sous la direction de M. Bas, en profitèrent cependant pour détruire quelque deux cent mille fiches ainsi que diverses pièces de la machine à adresser. Le coup de main  fut recommencé vers fin avril. M. Bodart avait su prendre contact avec le fils du concierge du bâtiment qui se chargea d'entreposer les explosifs et de les transporter par petits paquets. La veille du jour J, il introduisit les quelques membres de l'A.L. qui étaient chargés de l'action. Tout fut préparé dans la nuit. Des détonnateurs à retardement furent employés et les explosions, suivies de l'incendie, eurent lieu plusieurs heures après le départ des participants. La quasi totalité des fiches fut détruite."

De gevolgen van de aanslagen (16 oktober 1943 en maart 1944) zijn duidelijk merkbaar in de statistiek. Na de vernietiging van het fichesysteem van de dienst radiotaksen diende dit terug opgebouwd te worden. Het spreekt vanzelf dat zoiets in oorlogstijd niet van een leien dakje loopt en eind 1945 was het fichesysteem blijkbaar nog niet geheel hersteld.

Twee soorten verzetsgroepen

De Sicherheitsdienst (SD) maakte een onderscheid tussen twee soorten verzetsgroepen. De eerste groep werd gecatalogeerd als 'nationaal verzet', de tweede als 'communistisch verzet'. Het nationaal verzet was gericht op de uitbouw van een ondersteunende macht bij de landing van de geallieerden, het communistisch verzet paste terrorisme toe als taktiek. De eerste groep werd omschreven als nationalistisch, koningsgezind en conservatief. De communistische groepen hadden volgens de Duitsers volgende kenmerken: antifascistisch, progressistisch, oudgedienden van de Spaanse Burgeroorlog, ideologen, antileopoldistisch. (de Launay, 1977:248 die zich hiervoor baseert op documenten verzameld door  Gotovitch) 

Aantal betalende vergunningen en vrijstellingen Voor de jaren 1940-'45 beschikken we over betrouwbare cijfers uit het archief van KLG.

jaar

betalend

vrijgesteld

totaal

1940

980.888

18.580

999.468

1941

833.383

18.960

852.343

1942

783.097

19.320

802.417

1943

699.669

19.600

719.269

1944

141.245

19.679

160.924

De daling van het aantal vergunningen tot 1943 doet een vermoeden rijzen dat er sprake moet zijn geweest van burgerlijke ongehoorzaamheid tegenover de taksheffende bezetter. Het wegzakken van het aantal vergunningen tot 160.924 eind 1944, is het duidelijke gevolg van de aanslag.

In Frankrijk doet zich onder invloed van de voedselrantsoenering een merkwaardig fenomeen voor: in de departementen waar veel arbeiders wonen gaat het radiobezit achteruit terwijl op het platteland het bezit van radiotoestellen stijgt. Amouroux (1961, 166) zegt hierover het volgende: "Il y aurait, d'ailleurs, une passionante étude à faire sur l'augmentation générale du niveau de vie des paysans français pendant la période 1940-1950 comme sur les nouvelles habitudes de vie engendrées par l'argent plus facile et le ravitailllement plus abondant. Il est remarquable, par exemple, que le chiffre des postes de T.S.F. déclarés diminue sensiblement pendant la guerre dans tous les départements 'ouvriers', passant de 1.329.663 pour la Seine et Seine-et-Oise en 1939 à 1.189.681 en 1943, de 358.978 dans le Nord en 1939 à 327.402 en 1943, tandis qu'il augmente sans cesse dans les départements paysans. C'est ainsi que dans l'Allier, le Finistère, les Côtes-du-Nord, la Vendée, la Haute-Vienne, départements où les animaux de boucherie sont les plus nombreux, il ne cesse de croître, passant, pour ces cinq départements seulement, de 142.840 en 1939 à 180.674 en 1943, soit une augmentation de plus de 26%, alors que, pour la France entière et pour la même période, l'augmentation dépasse à peine 5%."

De radiodistributie  Tijdens de oorlog stijgt het aantal abonnees van de radiodistributie fel, zoals onderstaande tabel aantoont. Dit speelt in de kaart van de bezetter omdat de programmatie uiteraard volledig gecontroleerd wordt. Wellicht ligt een laag gehouden abonnementstarief mee aan de basis van het succes.

jaar

aantal netten in dienst

aantal abonnees

1940

28

12.471

1941

26

22.740

1942

26

29.810

1943

26

35.939

1944

25

35.927

Bron: jaarverslagen RTT 1940-1944

Eind 1944 moest één radiodistributienet, dat fel geleden had onder de oorlogsgebeurtenissen welke de bevrijding van het land voorafgingen, zijn bedrijvigheid stilleggen. (RTT, 1945: 41).
Opbrengsten en besteding Hieronder geven wij de evolutie van de bruto-opbrengst, de inningskosten die de RTT inhield, de staatstoelage aan het NIR-INR en deze laatste uitgedrukt als een percentage van de netto-opbrengst.

jaar

bruto

inningskosten

netto

toelage NIR

%

1940

76.558.474

3.200.000

73.358.474

42.000.000

57

1941

65.733.632

3.200.000

62.533.632

42.000.000

67

1942

64.308.407

3.200.000

61.108.407

42.000.000

69

1943

56.346.177

3.200.000

53.146.177

45.891.000

86

1944

11.414.328

3.200.000

8.214.328

45.000.000

548

totaal

274.361.018

16.000.000

258.361.018

216.891.000

84

Bronnen: Arch. KLG (stuk 19600629)

Over de toelage aan het NIR voor het jaar 1941 wordt ook het bedrag van 35 miljoen BEF vermeld.

De vaststelling dat de bezetter zelfs meer besteedt (in procenten van de netto-opbrengst van de taksen) aan de radio dan de vooroorlogse regeringen, bewijst hoe zeer fascistische (en totalitaire in het algemeen) regimes begaan zijn met propaganda. Het jaar 1943 vormt met 86 procent zelfs een uitschieter. Algemener kan gesteld worden dat machthebbers binnen totalitaire regimes moeite noch geld sparen om de communicatiemedia te beheersen. In democratieën en particratieën is dit eveneens aan de orde, maar de methodes verschillen.
De bevrijding Dankzij de inspanningen van de Mission Samoyède kan de bevrijding van Brussel op 4 september 1944 rechtstreeks op antenne gaan (Guery, 1949: 143; ook Boon, 1988). België is daarmee het enige land dat vanaf de bevrijding kan overgaan tot reguliere radio-uitzendingen. Het doel was daarmee bereikt: de opeenvolgende regeringen waren op hun beurt in staat om via propaganda-radio de publieke opinie te bewerken. Op de drempel van de koningskwestie, is dit niet zonder belang.
Repressie en epuratie bij het NIR

"Voor een aantal (...) radiomedewerkers (van het NIR-INR, n.v.d.r.) was het gerecht (...) bijzonder streng. Vijf doodstraffen bij Zender-Brussel en acht terdoodveroordelingen bij Radio-Bruxelles, doodstraffen die evenwel niet werden uitgevoerd. Twee medewerkers aan Zender Brussel kregen levenslang, zes beschuldigden kregen straffen van 20 tot 12 jaar gevangenis of dwangarbeid en 21 beklaagden werden tot 10 jaar of minder veroordeeld. Een reeks andere medewerkers, die nochtans volgens het Belgisch gerecht vrijuit mochten gaan, werden dan nog door de administratieve epuratie van verdere medewerking uitgesloten." (De Wilde, 1990: 55)

"Direct na de bevrijding, toen men alles in wit-en-zwart zag, werden enkele muzikanten vervolgd als collaborateurs. Ze hadden met de bezetter samengewerkt, alhoewel praktisch geen enkele Belgische jazz-muzikant nazi-sympatieën had gekoesterd, integendeel. Hoe dan ook, het grootste slachtoffer van die muzikale heksenjacht werd Stan Brenders, die vanaf 1936 met 'Het Groot Jazzorkest van het NIR' voor de radio speelde en dat ook na 1940 was blijven doen, omdat er noch voor hem, noch voor zijn solisten ander werk was. Van Brenders werd in de bevrijdingsdagen gezegd dat hij in Duitsland gespeeld had en er ook platen had opgenomen. Natuurlijk onzin, want Brenders had sinds 1940 geen enkele dag zijn land verlaten, hij verzorgde de dagelijkse radiouitzendingen, zowel voor het NIR als voor het INR (...)." (de Launay, 1983: 88)

"Terwijl via het NIR Adolphe en Adolphine (= Willy Maury en Gilberte Legrand) met hun sappige Brusselse sketches grote successen oogstten, bereikte Renaat Grassin via het NIR als Ketje het toppunt van zijn carrière. Met de uitbeelding van dat oer-Brussels boevetypetje was hij reeds op het eind der jaren dertig een begrip geworden. De PTT-minister Delfosse had hem einde mei 1940 persoonlijk vanuit Marseille, waar hij naartoe was gevlucht, teruggeroepen. Eind 1941 dreigde Grassin met ontslag als hem politiek getinte tekst zou worden opgedrongen. Dat gebeurde dan ook niet, zodat hij tot een eind in 1944 voor de microfoon werkzaam bleef, de mensen deed lachen, de Vlamingen een hart onder de riem stak. Na de oorlog zou hij niettemin tot drie jaar gevangenis worden veroordeeld, al werd hij bijgestaan door een tweede advokaat (die gratis voor hem pleitte, omdat Grassin tijdens de oorlog zijn leven had gered) en sprak niemand minder dan Camille Huysmans voor hem ten beste." (de Launay, 1983: 116)

De radiotaksen

Door het Regentsbesluit van 27 december 1944 (BSB 19450101) wordt de tussenkomst van de radiodistributeurs bij de inning van de radiotaks afgeschaft. De motivering luidt als volgt: "Overwegende dat de wijze, waarop de door de abonnenten verschuldigde taks thans door tussenkomst van de vergunninghouders wordt ingevorderd, veel te ingewikkeld en gemakkelijk te ontduiken is." De abonnees op de radiodistributie zullen vanaf 1 januari 1945 rechtstreeks aan de dienst Radiotaksen moeten betalen (Ministerieel Besluit van 28 december 1944). Het valt niet uit te sluiten dat de medewerking van de radiodistributie opgezegd werd omwille van collaboratietoestanden. Tijdens de oorlog werden via de radiodistributie uiteraard enkel "gezuiverde" radioprogramma's doorgegeven.

© Tessens & Debaets - 2003