|
1920-1930 |
De geboorte van de radio - De radiopioniers - Het wantrouwen van de overheid - De eerste radiotaks - Het "gesproken dagblad" | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
| De regeringen |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Verkiezingen |
De verkiezingen gebeuren bij algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Zetelverdeling Kamer |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
| De algemene toestand |
In
de jaren twintig tracht België het gehavende land weer op te bouwen maar
de naweeën van WO I blijven nog lange tijd voelbaar. De devaluatie van
1926 legt de basis voor 'les années folles', jaren van forse groei. De
regeringen kunnen de overheidsschuld afbouwen en zonder moeite worden
begrotingsoverschotten geboekt. Ook worden grote infrastructuurwerken
aangevat, bvb. het graven van het Albertkanaal. Gaandeweg kan de Vlaamse bewustwording een doorbraak forceren. In
1928-29 raakt de economie oververhit en stokt de groei. De
arbeidsreserve is opgebruikt en de lonen stijgen te snel, waardoor de
winstmarges van de ondernemingen onder druk komen te staan. Aan het einde
van het decennium wordt echter niet verwacht dat men voor een jarenlange
en diepe economische crisis staat. De crash van Wall Street op 24 oktober 1929 brengt het gehele economische stelsel in een zware vertrouwenscrisis. De depressie steekt de oceaan over en tast de Europese economieën aan. Tegenover het toenemend protectionisme staat het exportgerichte België machteloos. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Radio |
Het prille begin van de radio is er een van radio-amateurs. Van omroep in de latere betekenis is er nog geen sprake. De overheid wil wél weten wie de houders van de zend- en ontvangsttoestellen zijn. De taks die vanaf 1920 wordt geheven moet dan ook in het kader van die controlerende en registrerende functie van de overheid worden gesitueerd en niet vanuit het opbrengstprincipe worden verklaard. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Radiotaks
W19080710 KB19081019 KB19131103 MB19200807 MB19270209
|
De basis voor het heffen van taksen op ontvangtoestellen is te vinden in de wet van 10 juli 1908 op de draadloze telegrafie en de draadloze telefonie door electrische golven. Het koninklijk besluit van 19 oktober 1908 machtigt de minister van PTT de toelatingsvoorwaarden te bepalen voor het houden van ontvangtoestellen en bedragen van de taksen vast te stellen. Hier ligt dus de directe aanleiding voor het feit dat het Bestuur der Telegrafen (later verzelfstandigd als RTT) zo lang de radiotaksen en later de TV-taksen gaat innen, ook al behoort het innen van taksen niet tot haar kernactiviteiten. Het
Koninklijk Besluit van 3 november 1913 betreffende de toelatingen voor het
oprichten van radiografische of radiotelefonische overseinings- of
ontvangposten bouwt verder op de wet van 1908 en maakt het radiobestel
volledig afhankelijk van toelatingen. Een ministerieel besluit van 7 augustus 1920 (BSB 19200919) bepaalt dat de bezitter van een radio-ontvangtoestel 20 frank per jaar en per toestel moet betalen. Het ministerieel besluit verraadt in zijn bewoordingen de argwaan die de overheid koestert tegenover de mogelijkheden van de noviteit. De naweeën van de WO I zijn nog duidelijk merkbaar en de nationale veiligheid is een topprioriteit. Er zijn welgeteld 26 vergunninghouders. Omdat de radio nog geen massamedium is, wordt zenden en ontvangen nog bekeken als middelen om (mogelijk staatsgevaarlijke) berichten door te geven. Een M.B. van 9 februari 1927 bepaalt in een enig artikel dan ook nog eens expliciet dat de opgestelde privé radioelektrische posten enkel openbare uitzendingen mogen ontvangen en geenszins particuliere correspondentie. Bovendien moet de aangever er voor zorgen dat hij een vergunning voor het gebruik van dergelijk toestel aanvraagt bij een telegraafkantoor en jaarlijks moet hij die speciale vergunning laten verlengen. Een radiotoestel is overigens in de jaren 20
enkel voor de hogere klasse bereikbaar. Het kost meer dan 1.000 frank (Van
Isacker II: 78). Als we weten dat de broodprijs dan op 85 centiem ligt
(150 jaar Belgen: 235), dan zou zo'n radiotoestel in franken van 2001 meer
dan 70.000 frank kosten. In 1924 betalen 12.000 Belgen de radiotaks van 20
BEF. (Ugeux, 1980: 44) Gezien de hoge aanschafprijs van een radiotoestel, moet het dan ook niet verwonderen dat tot in het jaar 1928 alle radiostations - ook de in Vlaanderen gelegen stations - alleen in het Frans uitzonden. Te
noteren dat de radiotaks in België zeer vroeg geheven wordt, vroeger dan
bvb. in Groot-Brittannië waar het bezit van een radiotoestel pas vanaf
1922 wordt getaxeerd.
Tijdens deze periode gebeurt de inning door de "Dienst voor de inning van de radiotaksen" bij het Bestuur der Telegrafen dat ressorteert onder de bevoegdheid van het Ministerie van Spoorwegen, Posterijen en Telegrafen, opgericht op 16 juni 1884 en in 1888 verdeeld in twee verschillende organismen, nl.: "Bestuur der Posterijen" en "Bestuur der Telegrafen". Dit blijft zo tot in 1930 bij de oprichting van de RTT. De
taks van 20 BEF blijft - zoals ook blijkt uit artikel 7, § 2, van de wet
van 20 juni 1930 - van toepassing tot het jaar 1930. Wat het aantal ontvangsttoestellen betreft, is het koffiedik kijken. We mogen stellen dat het aantal evolueerde van enkele duizenden in 1923 naar meer dan 200.000 radiotoestellen eind 1929. Slechts 20 à 30 procent van de radiobezitters betaalde de verschuldigde taks. (Putseys, 1984: 73) Meestal was dit te wijten aan een gebrekkige voorlichting. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
| De radio-industrie | De Belgische radio-industrie ontwikkelde zich sterk in de jaren twintig en vindt tot 1926-1927 een goede afzetmarkt in Nederland. Dan begint Philips aan zijn steile opgang en verdrijft de binnen- en buitenlandse producenten van de markt. De geschiedenis van de Belgische radio-industrie moet nog geschreven worden. In Nederland staat men een stuk verder. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Radio-omroep
|
De eerste radio-omroep wordt in 1923 onder de roepnaam "Radio Bruxelles" op poten gezet door een privé-bedrijf, de SBR (Société Belge Radio-Electrique, gesticht op 4 oktober 1922), fabrikant van radiotoestellen. Radio Belgique is gevestigd aan de Naamse Poort te Brussel. Op 1 januari 1924 wordt "Radio Bruxelles" omgedoopt tot "Radio Belgique" (RB) en ondergebracht in een société anonyme die dezelfde naam draagt. De uitzendingen verlopen enkel in het Frans. (Hermanus, 1990: 27) Er worden nog tal van andere private radiostations toegelaten. Het was vooral onder E. Anseele, minister van PTT van 17 juni 1925 tot 21 november 1927, dat de eerste privévergunningen werden afgeleverd (Putseys, 1984: 52-60). Over hun precieze aantal bestaat geen eensgezindheid. Anseele kent twee vergunningen toe aan zenders die rechtstreeks van socialistische dagbladen afhangen: La Wallonie en Vooruit. Toch zijn de verantwoordelijken niet bepaald happig om de eigen concurrentie te organiseren. Bovendien hebben de dagbladdirecteurs geen kaas gegeten van het radiomedium: de technische drempel is blijkbaar hoog en de financiële perspectieven lijken niet bemoedigend. De vroege radio-initiatieven hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat ze tot ontwikkeling komen in dichtbevolkte regio's met een hoge industrialisatiegraad. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Gesproken dagblad |
Op 1 november 1926 brengt "Radio Belgique" het
eerste "gesproken dagblad" ("journal parlé") in de
ether. Maar Radio Belgique, beducht voor de reactie van de dagbladen,
stelt voorzichtig en handig: "Il
ne s'agit en aucune façon de se substituer à la presse écrite. Mais de
réaliser un type de journal strictement adapté aux possibilités de la
Radiophonie. Ce journal doit avoir et aura une attitude toute spéciale. Il s'adresse à tous. Il gardera toujours un caractère d'absolue
neutralité, passant en revue les événements de la journée, donnant
tous les renseignements utiles et permettant aux personnalités diverses
de prendre contact directement avec le public u sujet de toute question
d'intérêt général."
(Guery, A.,
1949:140)(ook gedeeltelijk geciteerd door Ugeux, 1980: 44). Deze
terughoudendheid (geen substituut voor de geschreven pers en neutraliteit)
van de omroep was ingegeven door de bekommernis om de politici en de
dagbladuitgevers niet voor de voeten te lopen. Ook in Frankrijk, het
Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten zal het 'gesproken dagblad' tot
conflicten met de dagbladpers leiden (Thoveron, 1997: 50-52). De pers
kende immers de cenakels van de macht als haar broekzak en de krantenbazen
zouden niet aarzelen om via bevriende politici in te grijpen indien de
radio (en later de televisie) een ernstige concurrent zou worden. Die
"schroom" van de omroep blijft een constante tot het begin van
de jaren zeventig. In ieder geval legt André Guery in 1949 nog altijd de
vinger op de zere wonde van het antagonisme tussen radionieuws en
geschreven pers. Over
het antagonisme tussen de schrijvende pers en de radionieuwsdienst zegt
Bal (1985: 118): "Geruime tijd hadden we af te rekenen met
diepgewortelde vooroordelen bij de confraters van de Algemene Persbond,
die ons niet als onafhankelijke journalisten maar als staatsbedienden
beschouwden, net of een redacteur van de schrijvende pers gen rekening
hoeft te houden met de politiek die zijn blad volgt." Manu Ruys (1996: 65) wijst op een decennialang verbond tussen de Belgische kranten en 'haar' politici. "Haast alle redacties werden geleid door parlementsleden. Karel van Cauwelaert, politiek hoofdredacteur van het christendemocratische dagblad Het Volk, was een gezaghebbend CVP-senator, zoals ook Antoon Breyne, hoofdredacteur van De Nieuwe Gids, en Hubert Leynen, hoofdredacteur van Het Belang van Limburg. Louis Kiebooms nam ontslag als hoofdredacteur van de Gazet van Antwerpen toen hij CVP-kamerlid werd, maar bleef op de krant de eerste viool spelen. De hoofdredactie van Vooruit was in handen van de socialistische senator Gaston Crommen. De Volksgazet werd geleid door het socialistische kamerlid Jos van Eynde. Victor Larock, hoofdredacteur van Le Peuple, was eveneens socialistisch kamerlid. (...) Voor de tweede wereldoorlog behoorden de leidende aandeelhouders (van de Standaardgroep, n.v.d.r.), eerst Frans van Cauwelaert en daarna Gustaaf Sap, tot de katholieke parlementsfractie. Beide politici bepaalden de redactionele politiek en dicteerden zelf het hoofdartikel." |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Radio Belgique verlieslatend | Radio Belgique blijkt in de jaren twintig verlieslatend, ondanks de (informele, niet wettelijk geregelde) toelating om reclame uit te zenden en sponsoring te aanvaarden. Putseys (1984:42-46) vermoedt dat de aanhoudende verliezen zich situeren in een taktiek om publiciteit als financieringsbron te claimen en om later ook een deel van de taksopbrengst (luistergeld) te vragen. Minister Anseele (socialist) heeft echter reeds in 1925 een staatsparticipatie in RB op het oog. Nadat RB in 1926 de nationale golflengtes krijgt toegewezen, staat de radiozender sterker om zichzelf aan te bieden als te subsidiëren (later te nationaliseren) radio-omroep. SBR zou daardoor - en zulks op kosten van de staat - ontlast zijn van het geldverslindende RB en zou zich terug kunnen plooien op zijn 'core business', nl. de verkoop van radiotoestellen. Tot daar de financiële overweging. Vanuit politiek oogpunt kon een nationalisatie ook dienstig zijn: de invloed van de lobbygroepen achter RB en SBR (bankwereld, industrie, koloniale kringen en het Hof) doortrekken naar de in de maak zijnde nationale omroep. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
De
redactie van Radio Belgique bestond uit slechts twee beroepsjournalisten:
Carl Goebel en de reeds vermelde André Guery. De redactie stond onder de
leiding van Théo Fleischman, de latere directeur van het INR. Théo
Fleischman werd vanaf de tweede helft van de jaren twintig op het
internationale forum aanzien als dé autoriteit* van de nieuwsvoorziening
via radio.
« Theo Fleischman |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
copyright Tessens - Debaets 2003 |
*voor een korte biografie zie X, Théo Fleischman ou trente ans de dévouement à la radiodiffusion belge, in: SBR, revue bimestrielle de la SBR, février-mars 1953, p. 2-6 |